Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AZ3054
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ingangsdatum van het toegekende AOW-pensioen. Er is geen sprake van een bijzonder geval, zodat het pensioen niet met een langere terugwerkende kracht dan één jaar wordt toegekend. De late aanvraag is niet een aantoonbaar gevolg van onjuiste/onvolledige voorlichting door de SVB.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/6631 AOW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Frankrijk) (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2004, 03/1897 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: de Svb).

Datum uitspraak: 24 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A.J. Wesdorp, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Wesdorp. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.




II. OVERWEGINGEN


Appellante heeft in mei 2000 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. In augustus 2000 heeft zij zich telefonisch tot de Svb gewend met betrekking tot haar aanspraak op een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Naar aanleiding hiervan heeft de Svb appellante de benodigde formulieren toegezonden om AOW te kunnen aanvragen, welke zij eerst heeft ingevuld en geretourneerd in augustus 2002.

Bij besluit van 6 januari 2003 heeft de Svb aan appellante met ingang van augustus 2001 een AOW-pensioen toegekend. Daarbij is overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval zodat het pensioen niet met een langere terugwerkende kracht dan één jaar wordt toegekend. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt op het punt van de ingangsdatum. Bij beslissing op bezwaar van 2 april 2003 heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep eveneens ongegrond verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat een bijzonder geval aanwezig had moeten worden geacht in de omstandigheid dat de Svb appellante in augustus 2000 zou hebben medegedeeld dat haar pensioen met terugwerkende kracht zou worden toegekend, zonder dat daarbij melding zou zijn gemaakt van de beperking daarvan tot één jaar. Voorts is aangevoerd dat eveneens een bijzonder geval oplevert de omstandigheid dat appellante door haar lichamelijke en geestelijke toestand niet in staat was de informatie van de Svb te lezen en het voor haar, gelet op haar woonplaats op het Franse platteland, onmogelijk was daarbij hulp te krijgen.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is ook in hoger beroep slechts in geschil of de Svb terecht heeft besloten de ingangsdatum van het aan appellante toegekende ouderdomspensioen vast te stellen op augustus 2001.

De Svb heeft het ouderdomspensioen op grond van artikel 16, tweede lid, eerste volzin van de AOW toegekend met een terugwerkende kracht van één jaar. Daarbij is overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van voornoemd artikellid, zodat het pensioen niet met een verdergaande terugwerkende kracht kan worden toegekend.

De Raad is van oordeel dat op grond van de door appellante aangevoerde redenen waarom niet tijdig is verzocht om toekenning van een ouderdomspensioen, niet aangenomen kan worden dat sprake is van een bijzonder geval. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat van enige toezegging als zou appellante ongeacht de datum van aanvraag met terugwerkende kracht een pensioen toegekend zou krijgen niet is gebleken. Hieruit volgt dat de late aanvraag niet een aantoonbaar gevolg is van onjuiste/onvolledige voorlichting door de Svb.

Voorts is de Raad van oordeel dat weliswaar aannemelijk is dat appellante zich ten tijde van de ontvangst van de aanvraagformulieren in een moeilijke lichamelijke en psychische toestand bevond, maar dat niet is gebleken dat zij buiten staat is geweest tijdig een aanvraag in te dienen. Uit de gedingstukken valt immers op te maken dat appellante wel begonnen was met het verzamelen van informatie voor de aanvraag, maar niet begreep hoe zij bepaalde gegevens moest invullen. Het is de Raad niet gebleken dat het appellante door haar ziekte onmogelijk was, zonodig met de hulp van derden of de Svb, tijdig een aanvraag in te dienen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 november 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x