Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AZ4081
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Is voldaan aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning en van wederzijdse zorg?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/98 AOW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Ďs-Hertogenbosch van 29 november 2005, 04/1319 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 30 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 06/97 Anw, plaatsgevonden op 19 oktober 2006, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Laar. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Tevens is daar verschenen de door [betrokkene] meegebrachte getuige [getuige]. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden, voorzover het de Sociale verzekeringsbank betreft. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontvangt met ingang van 1 mei 1996 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), vanaf 1 juli 1996 naar de norm voor een ongehuwde. Naar aanleiding van bij de Svb ingekomen informatie dat appellant zou samenwonen met [betrokkene] (verder te noemen: [betrokkene]) heeft de sociale recherche van de Svb een opsporingsonderzoek ingesteld. In het kader daarvan zijn appellant en [betrokkene] op 29 september 2003 verhoord. Op grond van de bevindingen van het onderzoek, welke zijn neergelegd in een rapport van 14 oktober 2003, is de Svb tot de conclusie gekomen dat appellant en [betrokkene] vanaf juni 1997 een gezamenlijke huishouding voeren. Bij besluit van 25 november 2003, voor zover hier van belang, heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 juli 1997 herzien naar de norm voor iemand die een gezamenlijke huishouding voert met een ander persoon. Bij besluit van 13 april 2004 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank kwam tot het oordeel dat de Svb zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant en [betrokkene] vanaf juni 1997 een gezamenlijke huishouding voerden en dat de Svb het ouderdomspensioen terecht met ingang van 1 juli 1997 heeft herzien.

Appellant heeft de juistheid van dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De Raad staat in dit geding primair voor de beantwoording van de vraag of de Svb terecht heeft aangenomen dat appellant en [betrokkene] met ingang van juni 1997 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de materiŽle bepalingen van de AOW. Nu de beantwoording van deze vraag zich mede uitstrekt over een periode gelegen na 1 januari 1998 is in dat verband van belang dat met ingang van 2 januari 1998 de omschrijving van het begrip gezamenlijke huishouding is gewijzigd.

Met betrekking tot de aldus te onderscheiden perioden overweegt de Raad het volgende.



Periode van juni 1997 tot 2 januari 1998

Ingevolge artikel 1, vijfde lid (oud), van de AOW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.

De vraag of sprake is van het gezamenlijk voorzien in huisvesting, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen door betrokkenen hoeft niet aan het gezamenlijk voorzien in huisvesting in de weg te staan, indien aannemelijk is dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

De Raad is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het oordeel dat appellant en [betrokkene] ten tijde in geding gezamenlijk voorzagen in hun huisvesting in de woning van appellante. Daarbij heeft de Raad in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de door appellant en [betrokkene] ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaringen. [betrokkene] heeft onder meer verklaard dat appellant sedert het voorjaar van 1997, later gepreciseerd tot januari /februari 1997, vrijwel elke nacht bij haar slaapt, dat hij een sleutel heeft van haar woning en vrij gebruik kan maken van de hele woning. Appellant heeft op dit punt verklaard dat hij sedert juni 1997 iedere nacht doorbrengt in het huis van [betrokkene].
De Raad merkt in dit verband op dat de ter zitting van de Raad door de zoon van [betrokkene] afgelegde verklaring welke inhoudt dat hij appellant bij de bezoeken die hij een ŗ tweemaal per maand aan zijn moeder bracht slechts af en toe in haar woning heeft aangetroffen, niet uitsluit dat appellant samen met [betrokkene] voorzag in zijn huisvesting.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.

Op grond van de verklaringen van appellant en [betrokkene] is ook voor de Raad voldoende komen vast te staan dat ten tijde in geding sprake was van wederzijdse zorg. Uit deze verklaringen komt - onder meer - naar voren dat appellant en [betrokkene] samen de maaltijden bereidden en gebruikten, dat [betrokkene] voor appellant de bonte was deed en streek, dat zij gezamenlijk sociale contacten onderhielden en op vakantie gingen, dat [betrokkene] de gezamenlijke boodschappen deed en betaalde, dat appellant de kosten van zijn auto betaalde terwijl ook [betrokkene] daarin regelmatig meereed.
De omstandigheid dat appellant en [betrokkene] daarnaast ook eigen activiteiten en contacten hadden, ieder aparte bankrekeningen en verzekeringen hadden en hun financiŽle administratie en eigendommen gescheiden hielden, doet hieraan geen afbreuk. Dat appellant en [betrokkene] de situatie waarin zij verkeerden niet als samenwoning beschouwden leidt niet tot een andere conclusie, aangezien voor de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding doorslaggevend is of is voldaan aan de in artikel 1, vierde lid, van de AOW vermelde voorwaarden en niet hoe de betrokkenen zelf hun woon- en leefsituatie waarderen.

Met betrekking tot de grief van appellant dat hij en [betrokkene] bij het afleggen van hun verklaring onder ontoelaatbare druk zijn gezet en zijn gemanipuleerd en dat deze verklaringen buiten beschouwing moeten blijven overweegt de Raad het volgende.
Naar vaste rechtspraak mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De Raad heeft hiervoor in dit geval geen toereikende aanknopingspunten gevonden. De Raad wijst op de uitvoerige en gedetailleerde verklaring die appellant en [betrokkene] in eerste instantie hebben afgelegd en ziet in hetgeen later ter ontkrachting van die verklaringen naar voren is gebracht onvoldoende grond om aan de juistheid van de eerdere verklaringen te twijfelen. De stelling dat appellant en [betrokkene] protest hebben aangetekend tegen de wijze waarop zij zijn verhoord is niet ondersteund met stukken. Een schriftelijke klacht is niet ingediend. In het voorgaande ligt besloten dat de grief van appellant dat de in het proces-verbaal opgenomen verklaring geen juiste weergave vormt van het door hem verklaarde geen doel treft.

Met betrekking tot het betoog van appellant dat het feit dat appellant is vrijgesproken door het gerechtshof te ís-Hertogenbosch volstaat de Raad met een verwijzing naar de overwegingen op dit punt van de rechtbank, welke hij onderschrijft.

Gezien het vorenstaande is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat appellant en [betrokkene] van juni 1997 tot 2 januari 1998 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 1, vierde lid (oud), respectievelijk vijfde lid (oud), van de AOW.



Periode vanaf 2 januari 1998

In artikel 1, vierde lid (tekst vanaf 2 januari 1998), van de AOW is bepaald dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Aangezien niet is gesteld of gebleken dat de feitelijke situatie van appellant en Van Buul vanaf 2 januari 1998 anders was dan die in de periode tot 2 januari 1998, is met hetgeen hiervoor is overwogen gegeven dat appellant en [betrokkene] hun hoofdverblijf hadden in de woning van [betrokkene], terwijl voorts aan het zorgcriterium als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW is voldaan. Met betrekking tot de hier besproken periode moet dan ook geoordeeld worden dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.

Het voorgaande brengt mee dat appellant vanaf juni 1997 geen recht had op een ouderdomspensioen naar de norm van een ongehuwde pensioengerechtigde, zodat de Svb, gelet op artikel 17, eerste en derde lid, van de AOW gehouden was het ouderdomspensioen van appellant met ingang van 1 juli 1997 te herzien. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW om hiervan af te zien is de Raad niet gebleken.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Pijper.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x