Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AZ5696
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht op het ouderdomspensioen en op de toeslag daarop een korting toegepast wegens onverzekerde jaren? De buiten het Rijk verblijf houdende Nederlander die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon wordt geacht binnen het Rijk te wonen. Betrokkene was gedurende de periode in geding werkzaam in dienst van de FAO en stond toen niet in dienstbetrekking tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3402 AOW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2005, reg.nr. 03/2301 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

en

appellant.

Datum uitspraak: 22 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2006. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. H. Xhonneux.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 25 januari 2003 is aan appellant met ingang van februari 2003 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een gehuwde toegekend. Tevens is hij in aanmerking gebracht voor een toeslag op het ouderdomspensioen. Op zowel het ouderdomspensioen als de toeslag is een korting toegepast van 16% in verband met niet verzekerde perioden.

Bij besluit van 10 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) is appellants bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2003 gegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat appellant en zijn echtgenote niet verzekerd zijn geweest ingevolge de AOW van 4 februari 1964 tot en met 31 oktober 1969, zijnde - naar beneden afgerond - vijf jaren, zodat een korting van 10% op het ouderdomspensioen en de toeslag dient te worden toegepast.

De rechtbank heeft de Svb hierin gevolgd en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant de in de eerdere fase van de procedure naar voren gebrachte argumenten in hoofdzaak herhaald. Appellant heeft betoogd dat de Svb ten onrechte de periode van 4 februari 1964 tot 1 april 1967 niet als verzekerde periode heeft aangemerkt. Appellant laat daarbij de periode 1 april 1967 tot en met 31 oktober 1969 buiten beschouwing, omdat hij het niet verzekerd zijn over die periode niet langer betwist. Appellant is van mening dat hij op grond van artikel 6, lid 1 en sub c, van de AOW verzekerd is, omdat ingevolge dat artikel verzekerd is degene die ter zake van buiten het Rijk verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van het Rijk. In dat verband heeft appellant naar voren gebracht dat hij gedurende de periode 3 februari 1964 tot 1 april 1967 in het kader van het assistent-deskundigen programma is uitgezonden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en is aangesteld bij de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO). In die functie is hij (onder meer) werkzaam geweest in Ghana en Sri Lanka. Hij was destijds weliswaar geen ambtenaar van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, maar hij viel wel onder de hoede van dat Ministerie, onder meer omdat dat Ministerie zeggenschap had over de in aanmerking komende kandidaten. Hoewel hij niet in dienst was van de Nederlandse overheid, kwam zijn door de FAO uitbetaalde salaris wel (indirect) ten laste van het Rijk, aldus appellant.

De Raad overweegt als volgt.

Gedurende het tijdvak van 3 februari 1964 tot 1 januari 1965 luidde artikel 6, eerste lid, AOW als volgt:

”Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die de leeftijd van 15 jaar, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, indien hij:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch terzake van binnen het Rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen;
c. een ingezetene is en evenmin geacht kan worden blijvend buiten het Rijk te wonen, doch terzake van buiten het Rijk verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van het Rijk, mits hij Nederlander is."

De Raad constateert dat niet in geschil is dat appellant in de periode hier van belang geen ingezetene in de zin van de AOW was, en dat hij geen arbeid binnen het Rijk verrichtte, die aan de loonbelasting onderworpen was. Het geschil spitst zich dan ook met name toe op de vraag of de terzake van de buiten het Rijk verrichte arbeid ontvangen beloning ten laste kwam van het Rijk, zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, en sub c, AOW.

Uit de memorie van toelichting bij dit artikel (kamerstukken 4009.3 Zitting 1954-1955), blijkt dat met de in artikel 6, lid 1, en sub c, AOW genoemde categorie personen gedoeld wordt op inzonderheid het in het buitenland wonende personeel van de Nederlandse diplomatieke en consulaire dienst. Deze functionarissen zijn ook steeds aan de loonbelasting onderworpen. De Raad stelt vast dat appellant in de in dit geding van belang zijnde periode niet in dienst was van de Nederlandse overheid of loon van die overheid ontving. Evenmin was appellant destijds onderworpen aan de heffing van de Nederlandse loonbelasting, of heeft hij premies voor de volksverzekeringen betaald. Mede gelet op de door de Svb verstrekte brieven van 28 mei 2003 en van 16 september 2003 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan de Raad niet anders concluderen dan dat zijn salaris en overige toelagen werden uitbetaald door de FAO en ook ten laste kwamen van de FAO. De omstandigheid dat de inkomsten van (onderdelen) van de Verenigde Naties bestaan uit contributies van de lidstaten, en dat de FAO daarnaast ook kosten in rekening brengt bij lidstaten zoals Nederland, doet daaraan niet af. De Raad ziet in hetgeen appellant daaromtrent naar voren heeft gebracht geen aanleiding om het loon dat appellant van de FAO ontving, desondanks als (direct) ten laste van het Rijk komend aan te merken.

Met ingang van 1 januari 1965 is het hiervoor weergegeven artikel 6, eerste lid, sub c, van de AOW vervallen en is in artikel 3, vierde lid, van de AOW bepaald dat de buiten het Rijk verblijf houdende Nederlander die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon wordt geacht binnen het Rijk te wonen. De Raad stelt vast dat appellant gedurende het tijdvak van 1 januari 1965 tot 4 april 1967 werkzaam was in dienst van de FAO en toen niet in dienstbetrekking stond tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon. Dit betekent dat appellant ook gedurende dit tijdvak niet verzekerd is geweest krachtens de AOW.

Nu het hier van toepassing zijnde Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden van 17 januari 1963, Stb. 1963, 24, evenmin een grondslag biedt appellant als verzekerde voor de AOW aan te merken, komt de Raad tot de conclusie dat de Svb appellant terecht over de periode 3 februari 1964 tot en 1 april 1967 als niet verzekerd voor de AOW heeft aangemerkt.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x