Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW / AKW
x
LJN:
x
AZ7661
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Was betrokkene verplicht verzekerd ingevolge het de opeenvolgende besluiten uitbreiding en beperking van de kring verzekerden volksverzekeringen, op de grond dat hij een WAO-uitkering vanuit Nederland ontving?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6001 AOW en 06/4295 AKW




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2005, 04/2372 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 26 juni 2006, 04/5526 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 19 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen beide aangevallen uitspraken.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in zaak 05/6001 heeft plaatsgevonden op 28 juli 2006. Namens appellant is daarbij verschenen A. Benlahbib, wonende te Mekns. De Svb heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek in die zaak heropend, ten einde dat geschil gevoegd met zaak 06/4295 te kunnen behandelen.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 8 december 2006. Namens appellant is daarbij wederom verschenen A. Benlahbib, voornoemd.
De Svb heeft zich in zaak 05/6001 niet en in zaak 06/4295 door J.Y. van den Berg laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Appellant heeft enige tijd in Nederland gewoond en gewerkt. Op of omstreeks 1 oktober 1975 is appellant teruggekeerd naar Marokko, alwaar hij sindsdien woont. Ten tijde van zijn vertrek uit Nederland ontving appellant al enige jaren een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Met ingang van 1 april 2001 is deze uitkering herzien naar de arbeidsongeschiktheidklasse van 80 tot 100%.

In september 2003 heeft appellant aan de Svb verzocht om kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan hem toe te kennen voor zijn kinderen. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij vanaf 1 oktober 1975 geen kinderbijslag heeft ontvangen. Bij beslissing op bezwaar van 6 oktober 2004 (hierna: besluit 2) heeft de Svb zijn besluit van 14 juli 2004 gehandhaafd, waarbij is geweigerd met ingang van het vierde kwartaal van 2002 kinderbijslag aan appellant toe te kennen, omdat hij niet verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen. De rechtbank heeft dit standpunt in de aangevallen uitspraak 2 onderschreven.

In december 2003 heeft appellant zich bij de Svb aangemeld voor de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en Algemene nabestaandenwet (Anw). De Svb heeft appellant bij besluit van 23 januari 2004, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 29 april 2004 (hierna: besluit 1), medegedeeld dat hij niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering omdat aanmelding daarvoor had moeten plaatsvinden binnen n jaar na het einde van de verplichte verzekering en appellant in het jaar voorafgaand aan de aanvraag niet verplicht verzekerd is geweest ingevolge de AOW en de Anw. De rechtbank heeft dit standpunt in de aangevallen uitspraak 1 onderschreven.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij aanspraak maakt op kinderbijslag, omdat hij verzekerd is geweest krachtens de volksverzekeringen, en deel wil nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de Anw.

De Raad overweegt als volgt.

Voor beide geschillen is van doorslaggevend belang of appellant na zijn vertrek uit Nederland in 1975 verzekerd is gebleven ingevolge de volksverzekeringen, dan wel of hij nadien alsnog verzekerd is geworden krachtens die wetten. Ingevolge de artikelen 6 van de AOW, 13 van de Anw en 6 van de AKW is verplicht verzekerd degene die ingezetene is dan wel geen ingezetene is doch die ter zake van in Nederland verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Nu appellant vanaf oktober 1975 niet meer in Nederland heeft gewoond of gewerkt, is hij op grond van deze artikelen sindsdien niet verplicht verzekerd geweest ingevolge de AOW, Anw en de AKW.

Het geschil spitst zich derhalve met name toe op de vraag of appellant op grond van de vanaf 1975 van toepassing zijnde koninklijke besluiten inzake de uitbreiding en beperking van de kring verzekerden ingevolge de volksverzekeringen verplicht verzekerd is geweest, op de grond dat hij een WAO-uitkering vanuit Nederland ontving. Op grond van het in 1975 van toepassing zijnde Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (Stb. 1968, 575) wordt degene die buiten het Rijk woont in een land waarmee een overeenkomst inzake sociale zekerheid is gesloten en die een WAO-uitkering ontvangt naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, als verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen aangemerkt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant op grond van deze bepaling vanaf zijn vertrek uit Nederland niet verplicht verzekerd is gebleven krachtens de volksverzekeringen, nu zijn WAO-uitkering gebaseerd was op een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.

Voorts is de Raad niet gebleken dat nadien wijziging is gekomen in deze situatie. Met name is niet gebleken dat appellant op grond van artikel 30 van het op 1 juli 1989 in werking getreden Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (Stb. 1989, 164) - voorzover hij al zou hebben voldaan aan de in dat besluit gestelde voorwaarde voor de verplichte verzekering zijnde het ontvangen van een WAO-uitkering die ten minste gelijk is aan 35% van het minimumloon - is aangemerkt als verplicht verzekerde.

Met ingang van 1 januari 2000 is de in artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1999, 746, hierna: Besluit 746) bepaalde uitbreiding van de verplichte verzekering voor buiten het Rijk wonende personen die een WAO-uitkering ontvangen vervallen. Verder is in artikel 27 van Besluit 746 bepaald dat op personen die tot aan 1 januari 2000 verzekerd waren op grond van artikel 26 en die uitsluitend door het vervallen van dit artikel geen recht meer hebben op kinderbijslag, artikel 26 van Besluit 746, uitsluitend voor de toepassing van de AKW, vanaf die dag van toepassing blijft zolang het jongste kind van de betrokkene de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze overgangsregeling niet op appellant van toepassing is nu hij vr 1 januari 2000 niet verplicht verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen. Ten slotte kan ook de herziening van de WAO-uitkering van appellant per 1 april 2001 naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% niet tot een ander oordeel leiden, nu artikel 26 van Besluit 746 toen al was vervallen. Daarbij laat de Raad in het midden of appellant aan de overige voorwaarden voor toepassing van dit artikel zou hebben voldaan. De Svb heeft derhalve bij besluit 2 terecht de weigering om met ingang van het vierde kwartaal van 2002 kinderbijslag aan appellant toe te kennen gehandhaafd.

Ingevolge de artikelen 34, 35 en 36 van de AOW en 63, 63a en 63b van de Anw is vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw alleen mogelijk in aansluiting op een periode van verplichte verzekering ingevolge die wetten. Aanmelding moet plaatsvinden binnen n jaar na het einde van de verplichte verzekering. Nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat appellant na zijn vertrek uit Nederland in 1975 niet verplicht verzekerd is gebleven, heeft de Svb zich in besluit 1 terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor deelname aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw, omdat de aanmelding daartoe in 2003 niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft plaatsgevonden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.F. van Moorst.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x