Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
AZ9241
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van het verzoek tot deelname aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw, omdat het verzoek eerst na het overlijden van betrokkenes echtgenoot is gedaan en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij alsnog postuum zou moeten worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering. Ten onrechte is het houden van een hoorzitting achterwege gebleven.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/5557 AOW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de erven van [appellante], zijnde de weduwe van [echtgenoot], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2004, 03/926 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de Svb).

Datum uitspraak: 23 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. dr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd.




II. OVERWEGINGEN


Appellante woont in Marokko en is gehuwd geweest met [echtgenoot] (hierna: de echtgenoot). De echtgenoot van appellante is in 1986 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als schoonmaker, waarna aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend. Hij is met behoud van uitkering teruggekeerd naar Marokko. Vanaf zijn vertrek uit Nederland is hij verzekerd geweest ingevolge de volksverzekeringen op grond van de toen geldende Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen. Met ingang van 1 oktober 1998 is de WAO-uitkering ingetrokken. Bij uitspraak van 8 maart 2001 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen de intrekking van de WAO-uitkering gegrond verklaard. Op 22 juli 2001 is de echtgenoot van appellante in Marokko overleden.

In februari 2002 is namens appellante aan de Svb verzocht haar vanaf 1 januari 2000 in de gelegenheid te stellen zich vrijwillig te verzekeren voor de volksverzekeringen.

De Svb heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om postume toelating van de echtgenoot van appellante tot de vrijwillige verzekering ingevolgde de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw). Bij besluit van 25 november 2002 heeft de Svb medegedeeld dat de echtgenoot van appellante niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering, omdat het verzoek tot deelname eerst na zijn overlijden is gedaan en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij alsnog postuum zou moeten worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering.

In bezwaar tegen dit besluit is namens appellante betoogd dat in geval haar echtgenoot nog geleefd zou hebben hij alsnog een verzoek tot deelname aan de vrijwillige verzekering had kunnen indienen. Daarbij had als bijzondere omstandigheid naar voren kunnen worden gebracht dat haar echtgenoot eerst na de positieve uitkomst van de WAO-procedure voldeed aan de formele vereisten en hij derhalve niet eerder een verzoek tot deelname kon indienen. Voorts is aangevoerd dat de Svb kennis had van deze bijzondere situatie omdat de Svb in het kader van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voortdurend op de hoogte werd gehouden van de verwikkelingen rond de WAO.

Bij beslissing op bezwaar van 27 januari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 25 november 2002 gehandhaafd. Opgemerkt wordt dat de echtgenoot van appellante al op 21 december 1999 door de Svb is geïnformeerd over het feit dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 1998 niet meer verzekerd was voor de AKW omdat per die datum zijn WAO-uitkering is beëindigd. Op dat moment had appellantes echtgenoot kunnen weten dat hij ook niet meer verplicht verzekerd zou zijn ingevolge de AOW en Anw en had hij zich dienen aan te melden voor de vrijwillige verzekering. Nu vast stond dat ook bij het alsnog weer toekennen van de WAO-uitkering de verplichte verzekering ingevolge de sociale verzekeringswetten in verband met het vervallen van artikel 26 van KB 746 met ingang van 1 januari 2000 zou eindigen, had appellantes echtgenoot of diens gemachtigde zekerheidshalve vóór 1 januari 2001 een verzoek tot deelname kunnen indienen. Tot slot is overwogen dat een hoorzitting achterwege is gelaten, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond werd geacht.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In beroep en in hoger beroep heeft appellante haar stellingname herhaald. Voorts is aangevoerd dat ten onrechte geen hoorzitting is gehouden.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad overweegt vooreerst dat, zoals eerder in zijn jurisprudentie omtrent de toelaatbaarheid van de toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot uitdrukking is gebracht, tot het achterwege laten van een hoorzitting op grond van dit artikel in het algemeen met grote voorzichtigheid dient te worden besloten. De Raad wijst er op dat, mede gelet op het karakter van de bezwaarprocedure waarbij onder andere een volledige heroverweging van het aangevochten besluit op de grondslag van het ingebrachte bezwaar aan de orde is, met het gebruik van het woord "kennelijk" in onder andere het onderdeel b van artikel 7:3 tot uitdrukking is gebracht dat slechts van het horen kan worden afgezien als, wat betreft de in geding zijnde toepassing, in redelijkheid geen twijfel mogelijk is omtrent het oordeel dat het bezwaar ongegrond is. Daarvan is, anders dan de rechtbank met de Svb aannam, naar het oordeel van de Raad in dit geval geen sprake. Namens appellante zijn in de bezwaarfase immers bijzondere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan, mede gezien het beleid van de Svb, naar haar opvatting zou kunnen worden afgeweken van de dwingende wetsbepalingen. Het houden van een hoorzitting biedt bij uitstek de gelegenheid onderzoek te doen naar die bijzondere omstandigheden. Het houden van een hoorzitting had dan ook in dit geval niet achterwege mogen blijven.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:3, onder b, van de Awb en om die reden dient te worden vernietigd. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak eveneens dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep alsnog gegrond dient te worden verklaard.

Mede bezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting acht de Raad het aangewezen na te gaan of er grond bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

De Raad is niet van omstandigheden gebleken welke tot een gehoudenheid van de Svb leiden om appellante in weerwil van de wettelijke bepalingen in de gelegenheid te stellen premie te voldoen voor de vrijwillige verzekering ten behoeve van haar overleden echtgenoot. In dit verband is van belang dat, naar ter zitting is toegegeven, de echtgenoot van appellante ten tijde van de beëindiging van de verplichte verzekering, anders dan gebruikelijk is, niet is geïnformeerd omtrent de voor hem bestaande mogelijkheid tot vrijwillige premiebetaling. Het enkele achterwege laten van deze ‘service’ kan er echter niet toe leiden dat de bestreden beslissing in zodanige mate in strijd met het ongeschreven recht moet worden geacht dat zij op die grond niet in stand kan worden gelaten.

Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat thans niet aan de orde is de bevoegdheid in algemene zin van de echtgenoot van appellante om vrijwillig premie te betalen, maar een bijzondere bevoegdheid, toekomend aan een derde onder bepaalde omstandigheden, terwijl de eventuele schending van het ongeschreven recht niet ten aanzien van die derde heeft plaatsgevonden. Voorts bestaat er geen enkele aanwijzing dat de echtgenoot van appellante, hetzij na beëindiging van de verplichte verzekering, hetzij na gegrondverklaring van het beroep inzake de intrekking van de WAO-uitkering, te kennen heeft gegeven belangstelling te hebben voor de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering, te meer niet nu naar voren is gebracht dat hij daartoe niet over de financiële middelen beschikte.

Het vorenstaande levert naar het oordeel van de Raad voldoende grond op met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om de Svb op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 644,- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en op € 322,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door de Sociale Verzekeringsbank aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale Verzekeringsbank aan appellante het betaalde recht van in totaal € 131,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2007.

(get.) H.J. Simon.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x