Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
BA2759
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-04-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van het AOW-pensioen van de norm voor een ongehuwde naar de norm voor een gehuwde, op de grond dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert met haar broer. Daarbij is overwogen dat vanwege bijzondere omstandigheden herziening met volledige terugwerkende kracht niet redelijk is. Schending van de inlichtingenverplichting.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6888 AOW en 07/1920 AOW




U I T S P R A A K



  
op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 oktober 2005, 05/172 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.
  
Datum uitspraak: 10 april 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Arts, werkzaam bij ACOM (CNV-Bond van Militairen) te Leusden.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Hij heeft daarbij bepaald dat appellant de gelegenheid krijgt zich nader te beraden op het nemen van een nieuw besluit.

Appellant heeft een nader besluit aan de Raad gezonden. Namens betrokkene heeft mr. Arts daartegen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 6 februari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door Van der Weerd en namens betrokkene is verschenen mr. Arts.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan betrokkene is met ingang van 1 maart 1996 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een ongehuwde.

Naar aanleiding van informatie verkregen uit de gemeentelijke basisadministratie is vanwege appellant onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van betrokkene. In dat kader heeft betrokkene op 26 juni 2003 een haar door appellant toegezonden inlichtingenformulier “onderzoek gezamenlijke huishouding” ingevuld. Vervolgens heeft appellant betrokkene bij brief van 25 juli 2003 meegedeeld dat het onderzoek heeft geresulteerd in de vaststelling dat geen sprake is van een wijziging in de persoonlijke omstandigheden van betrokkene omdat betrokkene reeds voor 1 januari 1996 met haar broer [naam broer] een gezamenlijke huishouding voerde.

Appellant heeft echter alsnog in de onderzoeksbevindingen aanleiding gevonden om het AOW-pensioen van betrokkene, bij besluit van 8 maart 2004, met ingang van 1 februari 2004 te herzien naar de gehuwdennorm wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met een andere meerderjarige.

Op 22 juni 2004 is een huisbezoek afgelegd op het adres van betrokkene. De bevindingen zijn neergelegd in een memo van 23 juni 2004. Op basis van de verkregen informatie heeft appellant, bij besluit van 14 september 2004, het AOW-pensioen van betrokkene met ingang van 1 januari 2000 herzien naar de norm voor een gehuwde wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding. Daarbij is overwogen dat vanwege bijzondere omstandigheden herziening met volledige terugwerkende kracht tot maart 1996 niet redelijk is.

Bij besluit van 13 januari 2005 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 september 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 januari 2005 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene bij de aanvraag de informatieverplichting van artikel 49 van de AOW niet is nagekomen maar dat betrokkene het op 26 juni 2003 toegestuurde inlichtingenformulier “onderzoek gezamenlijke huishouding” volledig en juist heeft ingevuld en ook overigens aan haar verplichtingen heeft voldaan. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene na het invullen van dat formulier en gelet op de brief van 23 juni 2003 (lees: 25 juli 2003) niet heeft kunnen onderkennen dat het ouderdomspensioen na 23 juni 2003 (lees: 25 juli 2003) te hoog was vastgesteld. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de herziening van het pensioen met ingang van 1 januari 2000 in strijd is met het beleid van appellant en om die reden niet in stand kan blijven.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de herziening van het ouderdomspensioen met ingang van 1 januari 2000 in strijd met het beleid van de Sociale verzekeringsbank is geoordeeld.

Naar aanleiding van het verhandelde tijdens de zitting van de Raad van 14 november 2006 en ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant, bij besluit van 29 november 2006, het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van 14 september 2004 herroepen wat de ingangsdatum van de herziening van het AOW-pensioen betreft. Besloten is de herziening pas later te laten ingaan en betrokkene met ingang van 1 juli 2001 in aanmerking te brengen voor een pensioen naar de norm voor een gehuwde. Daarbij is in aanmerking genomen dat tot het overlijden van de vader van betrokkene op 7 november 1998 sprake is geweest van een meerpersoonshuishouden, hetgeen betekent dat het pensioen van betrokkene in feite met ingang van 1 december 1998 had moeten worden herzien. Aangezien herziening met volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is, heeft appellant de mate van terugwerkende kracht tot de helft beperkt.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij het besluit van 29 november 2006 aanmerkt als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling moet worden betrokken.

In artikel 17a, eerste lid, van de AOW is, voor zover hier van belang, bepaald dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit herziet of intrekt:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de informatieverplichting op grond van artikel 49, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen;
b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn de Sociale verzekeringsbank kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Artikel 49 van de AOW bepaalt voor zover hier van belang dat de pensioengerechtigde verplicht is aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat wordt betaald.

Appellant heeft beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit ten nadele van een betrokkene, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.
Op grond van dit beleid gaat appellant niet tot herziening met volledige terugwerkende kracht over als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. Als het niet tijdig herzien van de uitkering een gevolg is van een fout van de Sociale verzekeringsbank maar betrokkene heeft deze fout kunnen onderkennen gaat appellant in beginsel tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht over. Bij beantwoording van de vraag of betrokkene heeft kunnen onderkennen dat hij teveel ontving hanteert de Sociale verzekeringsbank een aantal nader geformuleerde stelregels. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder genoemde wettelijke bepaling. Voorts ziet appellant met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk van herziening af als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht de Sociale verzekeringsbank belang aan de mate van verwijtbaarheid aan de zijde van betrokkene respectievelijk de Sociale verzekeringsbank en de mate waarin herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering onevenredig ingrijpend is in het dagelijks leven van betrokkene.

Aangezien betrokkene niet in hoger beroep is gekomen tegen de aangevallen uitspraak, moet thans worden uitgegaan van (de juistheid van) het oordeel van de rechtbank dat betrokkene bij haar aanvraag de informatieverplichting van artikel 49 van de AOW niet is nagekomen. Voorts blijkt uit het besluit van appellant van 13 januari 2005 dat appellant, overeenkomstig zijn beleid, rekening heeft gehouden met het gegeven dat betrokkene het op 26 juni 2003 toegestuurde inlichtingenformulier “onderzoek gezamenlijke huishouding” juist heeft ingevuld en dat betrokkene gelet op de - achteraf gezien onjuiste - brief van appellant van 25 juli 2003 niet heeft kunnen onderkennen dat het ouderdomspensioen na 25 juli 2003 (nog) te hoog was vastgesteld. Dat heeft appellant ertoe gebracht de periode van de herziening met de helft te matigen. De Raad kan de rechtbank dan ook niet volgen in haar oordeel dat appellant daarmee in strijd met zijn beleid heeft gehandeld.

Uit het nadere besluit op bezwaar van 29 november 2006 blijkt dat appellant - op de in dat besluit aangegeven gronden - zijn besluit van 13 januari 2005 niet langer handhaaft. De rechtbank heeft derhalve op zichzelf bezien wel terecht geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van laatstgenoemd besluit.

Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij aan appellant de opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van die uitspraak.

De Raad zal vervolgens het besluit van 29 november 2006 beoordelen.

Niet is in geschil dat betrokkene, haar broer en haar vader tot diens overlijden in november 1998, op hetzelfde adres woonachtig waren. Met appellant is de Raad van oordeel dat betrokkene ingevolge de door appellant gehanteerde beleidsregels tot 1 december 1998 recht heeft op een pensioen naar de norm voor een ongehuwde en vanaf die datum op een pensioen naar de norm voor een gehuwde, vanwege het feit dat tot die datum sprake was van het voeren van een meerpersoonshuishouden en vanaf die datum van een gezamenlijke (tweepersoons)huishouding.

Hiervoor heeft de Raad reeds vastgesteld dat betrokkene het aanvraagformulier destijds onvolledig heeft ingevuld. Voorts is de Raad met appellant van oordeel dat betrokkene ook nadien haar informatieverplichting niet is nagekomen, nu zij heeft nagelaten appellant te berichten dat haar vader in november 1998 is overleden. Eerst in de loop van 2003 is appellant volledig geïnformeerd door betrokkene over de feiten en omstandigheden die van invloed zijn op het pensioen. Ingevolge artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de AOW is appellant dan ook in beginsel gehouden het ouderdomspensioen van betrokkene te herzien met volledige terugwerkende kracht tot 1 december 1998.

Gelet op het voorgaande heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval niet is voldaan aan de in de beleidsregels vervatte voorwaarde dat de betrokkene al haar verplichtingen is nagekomen. De Raad is verder met appellant van oordeel dat betrokkene redelijkerwijs had kunnen onderkennen dat zij teveel pensioen ontving. In informatiebladen als “In-zicht” en “Uw AOW/Anw” is regelmatig aandacht besteed aan het onderwerp (de hoogte van) het pensioen bij samenwonende broers en zusters. De Raad stelt voorts vast dat appellant volledige terugwerkende kracht van de herziening van het pensioen van betrokkene niettemin kennelijk onredelijk acht omdat de onjuiste pensioenbetalingen vanaf 25 juli 2003 appellant zijn te verwijten. De Raad is gelet op een en ander van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat appellant, tegen de achtergrond van zijn beleid en bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot de onderhavige beperking van de terugwerkende kracht van de herziening. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant de herziening verder had behoren te matigen.

Het beroep voor zover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het nadere besluit van 29 november 2006 slaagt derhalve niet. De Raad zal dat beroep ongegrond verklaren.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, voor zover deze tot en met de zitting van 14 november 2006 zijn gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij aan appellant de opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 november 2006 ongegrond;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-- te betalen door de Sociale verzekeringsbank.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.C. Palmboom.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x