Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
BA7165
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-05-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning van een AOW-pensioen ter hoogte 84% (in plaats van 90%) van het maximale AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren in de periode 1 januari 1957 tot en met 25 oktober 1965. Gedurende een gedeelte van deze periode heeft betrokkene gewoond en gewerkt aan boord van zeeschepen die hun thuishaven binnen Nederland hadden. Wanneer is betrokkene aan te merken als ingezetene van Nederland?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 03/3896 AOW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juni 2003 , 02/3411 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 11 mei 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.J.A. Janssen, werkzaam bij FNV Ledenservice te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Mr. P.A.M. Staal, advocaat te Woerden, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 september 2005. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. In verband hiermee heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft de Svb een nadere uiteenzetting gegeven, waarop mr. Staal heeft gereageerd. Door haar zijn tevens nadere stukken ingezonden.

Op 16 mei 2006 heeft de Raad nadere vragen gesteld aan de Svb. Bij brief van 18 juli 2006 heeft de Svb hierop geantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 30 maart 2007. Namens appellant is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht. De Svb, eveneens daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Most.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant is op 20 maart 1937 geboren in Portugal en bezat in elk geval ten tijde hier van belang de Portugese nationaliteit. Hij is op 26 oktober 1965 gehuwd met een in Nederland wonende vrouw en is in ieder geval sedertdien woonachtig in Rotterdam.

Bij besluit van 15 maart 2002 heeft de Svb aan appellant een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 84% van het maximale AOW-pensioen. Bij het bepalen van de hoogte van het pensioen is de Svb uitgegaan van het onverzekerd zijn van appellant gedurende de periode 1 januari 1957 tot en met 25 oktober 1965. Gedurende een gedeelte van deze periode heeft appellant gewoond en gewerkt aan boord van zeeschepen die hun thuishaven binnen Nederland hadden. Met betrekking tot deze periode heeft de Svb geen verzekerde jaren aangenomen, een standpunt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft onderschreven.

In geding is de vraag of de Svb terecht deze jaren als niet-verzekerde jaren heeft aangemerkt.

De Raad overweegt als volgt.

Ten aanzien van de aanvang van de periode in geding is de Raad van oordeel dat uit de stukken voldoende duidelijk blijkt dat appellant per 24 januari 1962 voor het eerst werkzaam is geweest aan boord van een zeeschip met een Nederlandse thuishaven.
De stelling van appellant dat hij reeds in 1961 op een zodanig schip werkzaam was acht de Raad niet voldoende aangetoond of aannemelijk geworden, nu in het in geding gebrachte monsterboekje als eerste aanmonsterdatum wordt genoemd 24 januari 1962 en van een eerdere aanmonstering niet is gebleken. De Raad gaat derhalve uit van de periode 24 januari 1962 tot en met 25 oktober 1965 als periode in geschil.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 december 1993 (AB 1994, 392) en van de Hoge Raad van 8 juli 1997 (USZ 1997, 275, RSV 1997, 266) is de Raad van oordeel dat appellant zich niet met vrucht kan beroepen op artikel 94, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo. 1408/71). Immers het geschil heeft betrekking op een periode die is gelegen voordat het Verdrag van 25 maart 1957 (Trb. 1957, 74 en 91) tot oprichting van de Europese gemeenschap voor Portugal is gaan gelden, en (tevens) voor de inwerkingtreding van Vo. 1408/71. Het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek inzake sociale zekerheid van 12 oktober 1966 (Trb. 1966, 294) is per 1 juni 1968 in werking getreden en gold derhalve ten tijde in geding nog niet. Appellant kan ook hieraan geen rechten ontlenen.

In het tweede lid van artikel 3 van de AOW is onder meer bepaald dat schepen welke hun thuishaven in Nederland hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland worden beschouwd.
Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden en de Raad dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd, dat alleen zeevarenden ten aanzien van wie, beoordeeld naar de omstandigheden, geen woonplaats aan de vaste wal is aan te wijzen, aan boord van het schip wonen.

Nu ten aanzien van appellant niet is gebleken van omstandigheden aan de hand waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat hij tot 1965 aan de vaste wal woonde, moet worden geoordeeld dat hij woonde aan boord van de schepen waarop hij werkzaam was.
Verzekerd ingevolge de AOW is, blijkens artikel 6, eerste lid, van de AOW, degene die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, en ingezetene is, of geen ingezetene is, maar terzake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Ingevolge het tweede lid van artikel 6 AOW, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.
Ingezetene is degene die, naar de omstandigheden beoordeeld, in Nederland woont.

Op grond van de destijds geldende Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (artikel 2, aanhef en onder k, van het Koninklijk besluit van 10 juli 1959, Stb. 230 (KB 230) en artikel 2, aanhef en onder m, van het Koninklijk besluit van 17 januari 1963, Stb. 24 (KB 24)) was uitgesloten van verzekering de vreemdeling die aan boord woonde en werkte van een zeeschip met een thuishaven in Nederland (destijds: binnen het Rijk). De Nederlander in een vergelijkbare positie werd, op grond van artikel 3, tweede lid, van de AOW, wel verzekerd geacht. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 1 maart 2000 (LJN ZB8679) concludeert de Raad dat niet is gebleken dat dit directe onderscheid naar nationaliteit voor de jaren in geding strijdig moet worden geacht met enige internationaal rechtelijke bepaling.
  
Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt echter dat met betrekking tot (pensioen)aanspraken als hier aan de orde steeds beoordeeld moet worden of de doorwerking van het destijds geoorloofde onderscheid naar nationaliteit in het kader van de verzekeringsplicht ook thans bij de vaststelling van de pensioenaanspraak nog voldoende gerechtvaardigd is.

De vraag die derhalve nog ter beantwoording voorligt is of de doorwerking van het destijds geoorloofde onderscheid in het bestreden besluit ook thans voldoende rechtvaardiging vindt. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend.

Voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit voor werkenden aan boord van zeeschepen is blijkens de toelichting bij KB 230 als rechtvaardiging gegeven de tijdelijkheid van het wonen en werken aan boord van vreemdelingen en de ongewenstheid van het voor hen laten ontstaan van verzekeringstijdvakken voor kortere periodes. Voor Nederlanders werd het juist als ongewenst beschouwd dat voor hen hiaten in de verzekerde periodes zouden optreden indien het (tijdelijk) wonen en werken aan boord van zeeschepen met Nederlandse thuishavens niet als verzekerde tijdvakken zouden worden aangemerkt.

Daargelaten de vraag of deze rechtvaardiging voor het maken van een direct onderscheid naar nationaliteit thans rechtens acceptabel zou zijn, is de Raad van oordeel dat in de specifieke situatie van appellant deze rechtvaardiging in ieder geval niet voldoende is. Immers, appellant is in 1960 of 1961 naar Nederland gekomen, heeft vanaf 1962 alleen op zeeschepen met een Nederlandse thuishaven gewoond en gewerkt tot het moment dat hij huwde met een in Nederland woonachtige vrouw, die hij al kort na binnenkomst in Nederland heeft leren kennen, en heeft nadien onafgebroken in Nederland gewoond. Hij had bij het verlaten van Portugal geen zelfstandig huishouden aldaar en is in de jaren in geding ook niet teruggekeerd naar Portugal. Dit alles overziend is de Raad van oordeel dat in dit geval niet gesproken kan worden van kortere periodes van verzekerd zijn, eventueel afgewisseld met perioden van niet-verzekerd zijn. De veronderstelde tijdelijke band met de Nederlandse rechtssfeer voor niet-Nederlandse zeelieden aan boord van zeeschepen met een Nederlandse thuishaven geldt, gezien het voorgaande, niet voor appellant. Hij heeft zich in ieder geval sinds januari 1962 steeds bevonden in de Nederlandse rechtssfeer.

Hieruit volgt dat naar het oordeel van de Raad de Svb ten onrechte genoemde periode niet heeft betrokken bij de vaststelling van de hoogte van het aan appellant toekomende AOW-pensioen.

Het hoger beroep treft derhalve doel. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf voorzien in de zaak en bepalen dat aan appellant een AOW-pensioen naar 90% van de maximale pensioengrondslag wordt toegekend, ingaande maart 2002.

De Raad acht termen aanwezig de Svb op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor rechtsbijstand in beroep en 644,- in hoger beroep, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat aan appellant ingaande maart 2002 een AOW-pensioen naar 90% van de maximale pensioengrondslag wordt toegekend;
Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot 1.288,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank; Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde griffierecht van 116,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x