Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
BA7363
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-06-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering AOW-pensioen omdat betrokkene, die nimmer in Nederland heeft gewoond of gewerkt, nooit verzekerd is geweest voor de AOW. Ook is zij niet op grond van de in 1998 toegekende Anw-uitkering verzekerd geweest voor de AOW, omdat die uitkering niet aansloot op de verplichte verzekering dan wel de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW. Er kunnen geen AOW-rechten worden ontleend aan het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/4372 AOW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2005, 04/1976 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 14 juni 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De Svb heeft nog nadere stukken aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Namens appellante is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.




II. OVERWEGINGEN


Appellante, die nimmer in Nederland heeft gewoond of gewerkt, heeft in verband met het overlijden van haar echtgenoot op 19 augustus 1998 een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet ontvangen tot haar 65ste jaar op 1 juli 2001. Op 23 april 2001 heeft appellante een aanvraag om een Nederlands ouderdomspensioen gedaan met ingang van haar 65ste jaar.
Bij beslissing op bezwaar van 6 april 2004 heeft de Svb gehandhaafd zijn besluit van 9 oktober 2002 waarbij aan appellante is medegedeeld dat zij geen recht heeft op een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) omdat appellante nooit verzekerd is geweest voor de AOW. De Svb heeft hiertoe overwogen dat appellante nimmer in Nederland heeft gewoond of gewerkt en dat zij ook niet op grond van de in 1998 toegekende nabestaandenuitkering verzekerd is geweest voor de AOW, omdat die uitkering niet aansloot op de verplichte verzekering dan wel de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW. Voorts kan appellante geen aanspraak maken op een AOW-pensioen op grond van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, Trb. 1972, 34 (hierna: NMV) aangezien de eventuele aan tijdvakken van verzekering van de echtgenoot te ontlenen verzekeringstijdvakken van appellante alleen mogelijk zijn bij de berekening van het AOW-pensioen van een gehuwde pensioengerechtigde. Nu de echtgenoot reeds in 1998 is overleden kunnen de opgebouwde verzekeringstijdvakken niet als verzekeringstijdvakken voor appellante worden beschouwd.

De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van deze Raad, waaronder de uitspraak van 4 juli 1990, AB 1991, 42, het standpunt van de Svb onderschreven.

In hoger beroep heeft appellante - kort gezegd - doen aanvoeren dat haar nabestaandenuitkering is beëindigd in verband met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, zonder dat dit is omgezet in een ouderdomspensioen, en dat hiermee een inbreuk op haar eigendomsrecht is gemaakt, hetgeen in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts is aangevoerd dat er binnen het beleid van de Svb sprake is van een verboden onderscheid naar status. Ten slotte is betoogd dat aan de wijziging van artikel 21 NMV per 1 november 2004, die heeft plaatsgevonden bij het verdrag van 30 september 1996 en op grond waarvan - onder voorwaarden - op het ouderdomspensioen van een weduwe geen korting wordt toegepast voor de tijdvakken van het huwelijk waarin de man verzekerd is geweest, een langere terugwerkende kracht dient te worden toegekend.

Bij besluit van 26 januari 2006 heeft de Svb onder toepassing van het per 1 november 2004 gewijzigde NMV aan appellante met ingang van 1 november 2004 een pensioen ingevolge de AOW toegekend.

In geschil is derhalve nog de afwijzing van het recht op een AOW-pensioen over de periode juli 2001 tot november 2004.

De Raad overweegt als volgt.

Evenals de rechtbank en onder verwijzing naar de door de rechtbank genoemde uitspraak van 4 juli 1990 is de Raad van oordeel dat appellante geen aanspraak op een AOW-pensioen kan maken op grond van het NMV zoals dat luidde tot 1 november 2004.
Wat betreft de in hoger beroep opgeworpen grieven verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 28 oktober 2005, inzake 03/5084 AOW (LJN AU5798). In die uitspraak is - samengevat - overwogen dat de wijziging van artikel 21 NMV pas op 1 november 2004 in werking is getreden (Trb. 2004, 274), zodat ten aanzien van de tijdvakken in geding geen beroep kon worden gedaan op het gewijzigde artikel 21 van het NMV. Van ontneming van eigendom of van een beperking van een eigendomsrecht zou naar het oordeel van de Raad slechts sprake kunnen zijn indien een voor de vaststelling van betrokkenes aanspraken uit hoofde van de AOW bestaand voorwerp van eigendom (“possession”) in het kader van de algemene ouderdomsverzekering zou kunnen worden aangewezen dat de betrokkene bij eerdere besluitvorming is ontnomen of waarvan het genot door dit besluit is beperkt. Een voorwaardelijke aanspraak omdat niet aan de voorwaarden is voldaan, kan niet worden beschouwd als een “possession”. Appellante heeft op geen enkel moment de gerechtvaardigde verwachting kunnen koesteren dat zij na een eventuele ontbinding van haar huwelijk door welke oorzaak dan ook, aan het NMV zoals dit voor 1 november 2004 luidde aanspraak zou kunnen ontlenen op honorering van de zogenoemde huwelijkse tijdvakken in haar AOW-pensioen. Voor honorering van deze tijdvakken gold de voorwaarde dat haar huwelijk zou voortbestaan. Deze voorwaarde is niet vervuld. Van enige inbreuk op een eigendomsrecht van appellante is dan ook geen sprake. In genoemde uitspraak heeft de Raad voorts overwogen dat de Svb met de beleidsmatige toepassing van artikel 21 NMV (oud) een toereikende rechtvaardigingsgrond heeft gegeven voor het feit dat de huwelijkse tijdvakken na ontbinding van het betreffende huwelijk, zowel ten aanzien van de man als ten aanzien van de vrouw niet langer worden gehonoreerd. Van een verboden onderscheid naar status is dan ook geen sprake.

In hetgeen de gemachtigde van appellante ter zitting heeft bepleit ten aanzien van de contra legem toepassing van het nieuwe NMV met een verdergaande terugwerkende kracht dan 1 november 2004 heeft de Raad geen aanleiding gezien anders te oordelen dan hij reeds in de eerder genoemde uitspraken heeft gedaan. De Raad ziet geen aanknopingspunten in het nieuwe NMV of anderszins om de Svb gehouden te achten het NMV eerder toe te passen dan de datum van inwerkingtreding 1 november 2004.

Gelet op het bovenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x