Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW / Anw
x
LJN:
x
BA7941
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-06-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene is ten onrechte uitgesloten van het recht op vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw. In de uitspraak van het HvJEG van 7 juli 2005, Van Pommeren-BourgondiŽn, C-227/03 (LJN AU1322) heeft de SVB aanleiding gezien haar standpunt te herzien en is aan betrokkene de gelegenheid geboden zich vanaf 1 januari 2000 vrijwillig te verzekeren voor de duur van zes jaar.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 02/4464 AOW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Spanje) (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2002, 01/1934 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 21 juni 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is gehuwd met [naam echtgenoot], hierna: de echtgenoot, die sedert 1963 krachtens arbeidsovereenkomst in Nederland werkzaamheden heeft verricht. Thans is de echtgenoot in Spanje woonachtig; hij ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van ongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante is sedert 1989 vrijwillig verzekerd voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw).

Als gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746, hierna: KB 746) werd appellante met ingang van 1 januari 2000 uitgesloten van het recht op vrijwillige verzekering voor de AOW en de Anw. Dit is haar medegedeeld bij beschikking 11 oktober 2000, welke is gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 11 april 2001, hierna: het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte ervan uitgaat dat als vaststaand kan worden aangenomen dat aan de verplichte verzekering AOW/Anw van de echtgenoot met ingang van 1 januari 2000 een einde is gekomen. Voorts is appellante van mening dat de regeling in bijlage VI van de EG-verordening 1408/71, onderdeel Q (voorheen J), sub 2, onder f wel ruimte biedt voor het in stand houden van de vrijwillige verzekering en dat de rechtbank de weigering om de vrijwillige verzekering voort te zetten ten onrechte geoorloofd acht. Zij stelt zich op het standpunt dat de koppeling van de mogelijkheid om vrijwillig verzekerd te zijn aan de verplichte verzekering van haar echtgenoot niet mogelijk is, nu de AOW als uitgangspunt hanteert dat elk der partners zich individueel verzekert.

In de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 juli 2005, Van Pommeren-BourgondiŽn, C-227/03 (LJN AU1322) heeft de Svb aanleiding gezien zijn standpunt te herzien en is aan appellante de gelegenheid geboden zich vanaf 1 januari 2000 vrijwillig te verzekeren voor de duur van 6 jaar. Appellante heeft de Svb vervolgens te kennen gegeven hiervan tot 1 september 2005 gebruik te willen maken.

De Raad concludeert dat het hoger beroep slaagt en dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen. De Svb zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad ziet gelet op het voorgaande aanleiding de Svb te veroordelen tot betaling van de kosten die appellante in verband met het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De Raad begroot deze kosten op Ä 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en Ä 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellante van in totaal Ä 966,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal Ä 109,23 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x