Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AOW
x
LJN:
x
BA8920
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-07-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening van de AOW-pensioenen wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Is voldaan aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning en van wederzijdse zorg?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/5431 AOW en 06/5433 AOW




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

[appellanten], wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 augustus 2006, 06/1167 en 06/1168 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: de Svb).

Datum uitspraak: 3 juli 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft N.B.S. van der Plas, werkzaam bij Rob van der Plas Financieel Advies B.V. te Waspik, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2007. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door N.B.S. van der Plas. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellante en appellant is met ingang van respectievelijk 1 september 1993 en 1 juni 1994 een ouderdomspensioen toegekend ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), berekend naar de norm voor een alleenstaande. Op 19 september 2005 zijn appellanten door twee sociaal rechercheurs, werkzaam bij de Svb, gehoord in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan hen verstrekte pensioenen. Op grond van de door appellanten afgelegde verklaringen heeft de Svb bij afzonderlijke besluiten van 13 oktober 2005 en van 6 december 2005 de ouderdomspensioenen van respectievelijk appellante (hierna: [appellante]) en appellant (hierna: [appellant]) met ingang van 1 juni 1998 herzien en nader vastgesteld naar de norm voor een gehuwde of ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert.

Bij besluiten van 21 februari 2006 heeft de Svb de bezwaren van [appellanten] tegen de besluiten van 13 oktober en 6 december 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 21 februari 2006 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is onder meer betoogd dat appellanten na een periode van meer dan vijftig jaar eind april 1998 weer met elkaar in contact zijn gekomen en dat eerst per 7 september 2002 sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige, die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwantschap in de eerste graad.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning.

Ten tijde in dit geding van belang beschikten appellanten ieder over eigen woonruimte, [appellante] in Waspik en [appellant] in Scheveningen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad behoeft het aanhouden van verschillende woonadressen op zichzelf niet in de weg te staan aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal voldoende aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts ťťn van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een nadere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat feitelijk van samenwonen kan worden gesproken, van welke situatie in het onderhavige geval is gebleken. De Raad kent daarbij, evenals de rechtbank, zwaarwegende betekenis toe aan de door appellanten tijdens hun verhoor op 19 september 2005 afgelegde en door beiden ondertekende verklaringen dat zij afwisselend vier weken in Waspik en Scheveningen verbleven en waarin zij beiden meermalen hebben verklaard dat hun woon- en leefsituatie al bestaat vanaf 1998 en dat daarin nooit iets is veranderd.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW. Dit kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige financiŽle verstrengeling niet of in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Daarvan uitgaande onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellanten ten tijde in geding ook aan het criterium van de wederzijdse zorg voldeden. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen.
Met betrekking tot de grief van appellanten dat de door hen tegenover de sociaal rechercheurs afgelegde verklaringen onder ongeoorloofde druk tot stand zijn gekomen, zodat zij niet - dan wel niet geheel - kunnen worden gehouden aan hetgeen zij hebben verklaard, overweegt de Raad dat volgens vaste jurisprudentie in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde en door betrokkenen ondertekende verklaring en dat aan het intrekken daarvan of het achteraf ontkennen van het verklaarde weinig of geen betekenis wordt toegekend. De Raad ziet geen aanleiding daarover in dit geval anders te oordelen. Van een ontoelaatbare druk op grond waarvan appellanten niet aan de afgelegde verklaringen mogen worden gehouden, is de Raad niet gebleken. Daarbij tekent de Raad nog aan dat appellanten hun verklaringen zonder enig voorbehoud hebben getekend. Ook neemt de Raad daarbij in aanmerking dat over de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden door appellanten geen klacht is ingediend.

De in hoger beroep aangevoerde gronden van appellanten met betrekking tot het voornemen van de Svb om tot terugvordering en het opleggen van een boete over te gaan, zijn ter zitting door de gemachtigde van appellanten ingetrokken zodat deze geen verdere bespreking meer behoeven.

Het voorgaande brengt mee dat de Svb, gelet op het bepaalde in artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW, de AOW-pensioenen van appellanten terecht met ingang van 1 juni 1998 heeft herzien.

Van dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW, op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk van herziening kon afzien, is de Raad niet gebleken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AOW | AOW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x