Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AWBZ
x
LJN:
x
AE9404
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-07-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de eigen bijdrage van f 2289,49 per maand voor betrokkenes verblijf in een verzorgingshuis juist vastgesteld? Mogen de kosten van onderhoud van de verhuurde woning ad f 11.339,- uitsluitend in mindering worden gebracht op de inkomsten uit de woning ad f 906,-, resulterend in een nihilbedrag (standpunt ziekenfonds) dan wel mede ten laste worden gebracht van de renteopbrengst uit vermogen ad f 20.260,- (standpunt appellanten).
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/6128 AWBZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de erven van [betrokkene], appellanten,

en

OWM Zilveren Kruis Spaarnelandverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Vanwege gedaagde is bij besluit van 18 september 1998 met ingang van 1 juli 1998 aan wijlen [betrokkene] in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een eigen bijdrage van f 2.289,49 per maand opgelegd wegens haar verblijf in verzorgingstehuis Huis in de Duinen te [vestigingsplaats].

Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij het bestreden besluit van 3 mei 1998 (lees: 1999) ongegrond verklaard.

De rechtbank [plaatsnaam] heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 18 september 2000 ongegrond verklaard.

[Betrokkene] is op 28 september 1999 overleden. Haar enige erfgenamen zijn M.E. van Vliet en E.H. Pikker, appellanten in dit geding.

Namens appellanten is E.H.W. Pikker, werkzaam bij Administratie- en adviesburo Pikker & Pikker te Huizen, van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het beroepschrift aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 25 oktober 2001 nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 22 mei 2002, waar voor appellanten is verschenen E.H.W. Pikker. Gedaagde heeft zich niet doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende - door partijen onbetwiste - feiten en omstandigheden.

Wijlen [betrokkene] verbleef ten tijde in geding in het verzorgingshuis Huis in de Duinen te [vestigingsplaats]. Zij was tot 1 maart 1997 eigenares van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning). De woning was in 1997 verhuurd aan een derde, tot wie de eigenares in geen andere rechtsbetrekking stond dan die welke verband hield met de huurovereenkomst.

Zij ontving in het jaar 1997 aan uitkering en pensioen een bedrag ad f 19.233,--. Haar inkomsten uit vermogen bedroegen in dat jaar f 21.166,--, bestaande uit genoten rente ad f 20.260,-- en twee ter zake van de woning ontvangen maandtermijnen huur ad f 906,--. De ten laste van de eigenares komende onderhoudskosten met betrekking tot de woning bedroegen in 1997 f 11.339,--.

Bij het primair besluit, dat is gehandhaafd bij het bestreden besluit, is de door wijlen [betrokkene] verschuldigde eigen bijdrage per 1 juli 1998 herzien en nader vastgesteld op een bedrag van f 2.289,49 per maand. De berekening van deze eigen bijdrage is gebaseerd op het in het refertejaar 1997 genoten inkomen. Bij de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen is gedaagde uitgegaan van een inkomen uit vermogen van f 20.260,--.

De kern van het geschil in beroep en in hoger beroep betreft de vraag of de kosten van onderhoud van de verhuurde woning ad f 11.339,-- uitsluitend in mindering mogen worden gebracht op de inkomsten uit de woning ad f 906,--, resulterend in een nihil bedrag (standpunt gedaagde) dan wel mede ten laste mogen worden gebracht van de renteopbrengst uit vermogen f 20.260,--(standpunt appellanten).

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de wijze waarop gedaagde toepassing heeft gegeven aan artikel 7 van het Bijdragebesluit zorg binnen de grenzen valt van de naar het oordeel van de rechtbank aangewezen restrictieve interpretatie.

De Raad overweegt het volgende.

De berekening van het bijdrageplichtig inkomen in het kader van de AWBZ is geregeld in het Bijdragebesluit zorg van 26 september 1996 (Stb. 1996, 486; hierna te noemen: Besluit). Voor het geschilpunt is het bepaalde in de artikelen 6 en 7 relevant. Deze bepalingen luiden, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 6
1. Voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen geldt als inkomen in het desbetreffende jaar:
(...)
d. de bruto opbrengsten uit onderneming en vermogen;
(...)

Artikel 7
1. Op de inkomsten, bedoeld in artikel 6, worden voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen in mindering gebracht:
(...)
d. de op opbrengsten uit vermogen onderscheidenlijk onderneming betrekking hebbende lasten, welke ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in het desbetreffende jaar in mindering mogen worden gebracht bij het bepalen van de zuivere inkomsten uit vermogen, onderscheidenlijk de winst uit onderneming, tot ten hoogste het bedrag van de bruto opbrengsten uit vermogen onderscheidenlijk onderneming;
(...)

Deze op zich duidelijke bepalingen geven geen aanknopingspunt voor de stelling van gedaagde dat binnen de inkomsten uit vermogen en de daarop betrekking hebbende lasten onderscheid zou moeten worden gemaakt naar gelang de vermogensbron, waarop de opbrengsten en lasten zien. De enige beperking die artikel 7, eerste lid onder d, van het Besluit bevat is de beperking van de aftrek tot ten hoogste het bedrag van de bruto opbrengsten uit (het totale) vermogen. Voorts is van belang of de kosten ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) in het desbetreffende jaar in mindering mogen worden gebracht bij het bepalen van de zuivere inkomsten uit vermogen. Wat aftrekbare kosten zijn is geregeld in artikel 35 van de Wet IB 1964. Nu het gaat om een zakelijk verhuurde woning, zijn de onderhoudskosten ingevolge genoemde bepaling aftrekbare kosten, die in mindering komen op de inkomsten waarop zij betrekking hebben. Indien de inkomsten minder zijn dan de daarop betrekking hebbende kosten resulteert dit in een negatief inkomensbestanddeel, dat samen met de overige positieve en negatieve inkomensbestanddelen het belastbaar inkomen vormt. De aftrekposten worden aldus gesaldeerd met andere inkomsten uit vermogen. Ook in het systeem van de Wet IB 1964 ligt derhalve geen splitsing per vermogensbron, zoals door gedaagde toegepast, besloten.

De verwijzing door gedaagde naar het advies van 30 januari 1997 van de Commissie voor beroepszaken van de voormalige Ziekenfondsraad, zoals gepubliceerd in RZA 1997/40, overtuigt de Raad niet, omdat dat advies geen enkele - op de van toepassing zijnde regelgeving gebaseerde - onderbouwing bevat voor het niet salderen van een negatieve aftrekpost met andere inkomsten uit vermogen.

De conclusie van het voorgaande is dat gedaagde bij het bestreden besluit van een onjuiste uitleg van de hier toepasselijke wettelijke bepalingen is uitgegaan en aldus een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De kosten van onderhoud van de verhuurde woning ad f 11.339,-- dienen bij de berekening van de inkomsten uit vermogen mede ten laste te worden gebracht van de renteopbrengst uit vermogen ad f 20.260,--. Het bestreden besluit komt wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. De aangevallen uitspraak deelt in dit lot. Gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep en van [betrokkene] in beroep. Deze kosten worden begroot op 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten, in eerste aanleg tot een bedrag van 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot 644,-- ;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van 24,98 in beroep en 77,14 in hoger beroep (totaal 102,12) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert en mr. C.W.M. van Ballegooijen als leden, in tegenwoordigheid van N.J. Stolten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) N.J. Stolten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AWBZ | AWBZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x