Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AWBZ
x
LJN:
x
AF3436
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-12-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling van de eigen bijdrage die betrokkene verschuldigd is voor thuiszorg in de periode in geding op f 10,- per uur met een maximum van f 115,- per week, zodat van betrokkene voor thuiszorg in deze periode een bedrag van in totaal f 610,- wordt geheven. Heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het bestreden terecht vernietigd?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/2788 AWBZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Onderlinge Waarborgmaatschappij RZG zorgverzekeraar U.A., gevestigd te Groningen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluiten van 6 april 1999 en 20 april 1999 heeft appellant de eigen bijdrage die gedaagde verschuldigd is voor thuiszorg in de periode van 28 december 1998 tot en met 21 februari 1999 vastgesteld op f 10,-- per uur met een maximum van f 115,-- per week en bepaald dat van gedaagde voor thuiszorg in deze periode een bedrag van in totaal f 610,-- wordt geheven.

Appellant heeft het bezwaar tegen deze besluiten bij het bestreden besluit van 22 februari 2000 ongegrond verklaard.

De president van de rechtbank Assen heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak van 12 april 2000 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de besluiten van 6 april 1999 en 20 april 1999 herroepen en appellant veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingezonden.

Desgevraagd heeft appellant bij brief van 4 september 2002 inlichtingen verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 20 november 2002. Appellant heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. R.C. Kliphuis, werkzaam in dienst van appellant, J.G.M. Dousi, werkzaam bij het Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Ziektekosten B.V. en A.M.J. le Cocq, werkzaam bij het College voor Zorgverzekeraars. Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door A.B.M. Wensing, wonende te Hoofddorp.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende tussen partijen niet in geschil zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagde, geboren [in] 1971, is gehandicapt. Zij ontving tot 1 januari 1998 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Met ingang van 1 januari 1998 is zij gaan samenwonen met (thans) haar echtgenoot, [naam echtgenoot]. Gedaagde ontving huishoudelijke hulp via bemiddeling van Thuiszorg Drenthe, waarvoor zij tot 28 december 1998 een eigen bijdrage verschuldigd was van maximaal f 6,50 per week.

Appellant heeft de eigen bijdrage voor de door gedaagde genoten thuiszorg bij primaire besluiten van 6 april 1999 en 20 april 1999 met ingang van 28 december 1998 vastgesteld op f 10,-- per uur met een maximum van f 115,-- per week. Bij het bestreden besluit van 22 februari 2000 zijn deze besluiten gehandhaafd. Appellant stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van de eigen bijdrage dient te worden uitgegaan van de leefsituatie van de verzekerde in het jaar waarin de zorg wordt ontvangen, en van het inkomen dat door de partners van de leefeenheid genoten is in het peiljaar. Het peiljaar is het zorgjaar minus twee jaar. Aangezien gedaagde in de periode waarin thuiszorg is ontvangen een leefeenheid vormde, heeft appellant de eigen bijdrage vastgesteld op grond van het gezamenlijk inkomen dat gedaagde en haar partner blijkens opgave van de Belastingdienst twee jaar eerder hebben genoten. Dit gezamenlijk inkomen valt volgens appellant in de klasse van f 52.135 tot f 62.360,-- per jaar.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat zij in het peiljaar - 1997 - nog geen leefeenheid vormde en dat dient te worden uitgegaan van het persoonlijk inkomen, dat zij in dat jaar, in casu uit hoofde van bijstand ingevolge de Abw, als alleenstaande heeft genoten. Gedaagde is van mening dat zij in de in geding zijnde periode, gezien haar uitkering van f 23.636,-- per jaar, een eigen bijdrage van maximaal f 5,-- per week verschuldigd was.

De president van de rechtbank heeft, toepassing gevende aan artikel 8:86, eerste lid, van de Abw, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Daartoe is, voor zover van belang, het volgende overwogen:
"Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Bijdragebesluit zorg komt naar voren dat het gezamenlijke, belastbare inkomen van partners (in het peiljaar), behorende tot het huishouden waar de zorg wordt genoten, als uitgangspunt dient te worden genomen voor de vaststelling van de eigen bijdrage. Uit het besluit zelf noch uit de parlementaire behandeling daarvan kan echter worden afgeleid dat dit gezamenlijke inkomen ook moet worden gehanteerd indien betrokkenen in het peiljaar nog geen gezamenlijke huishouding voerden.
In het Bijdragebesluit zorg is - in artikel 16e, vierde lid - een regeling getroffen voor het maken van een uitzondering op de hoofdregel omtrent vaststelling van de eigen bijdrage, indien het inkomen in het jaar waarin de zorg wordt genoten lager uitvalt. Een andere uitzondering op de hoofdregel voor de berekening van de eigen bijdrage is in het besluit niet gegeven.
Naar het oordeel van de president verdraagt de onderhavige onder de verantwoordelijkheid van verweerder gehanteerde berekeningsmethodiek zich niet me het rechtszekerheidsbeginsel nu voor deze uitleg in het besluit noch in de daarbij behorende toelichting en zelfs niet in de parlementaire behandeling een aanknopingspunt is te vinden. Een dergelijke uitzondering op de hoofdregel die nergens is vastgelegd, brengt voor de betrokkenen, die aangewezen zijn op thuiszorg, een te vergaande en niet te verantwoorden inbreuk op hun rechtspositie met zich, terwijl voorts niet van hen kan worden verwacht dat zij met een dergelijke uitzondering rekening hadden moeten houden.
Voor verzoekster geldt het vorenstaande des te meer. Vaststaat dat zij in het peiljaar 1997 niet met haar partner samenwoonde en dat er toen dus slechts één relevant inkomen was, te weten verzoeksters bijstandsuitkering. Voorts staat vast dat er ten tijde van de samenwoning per 1 januari 1998 (voor zover hier van belang) nimmer sprake is geweest van een gezamenlijk inkomen van haar en haar partner, aangezien zij haar bijstandsuitkering op het moment dat zij en haar partner zijn gaan samenwonen heeft verloren. Het zou dan ook ongerijmd zijn en in strijd met de rechtszekerheid wanneer in deze situatie het toenmalige inkomen van haar huidige partner wel wordt betrokken bij de vaststelling van de bijdrage."

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften voortvloeit dat voor het vaststellen van de maximum weekbijdrage allereerst het bijdrageplichtig inkomen ten tijde van de zorgverlening moet worden bepaald. In dat kader moet worden vastgesteld of er sprake is van een leefeenheid. Hierna moet worden bekeken hoe hoog het inkomen van de in het zorgjaar bestaande leefeenheid in het peiljaar was. Hierbij is in de visie van appellant niet van belang of de partners in het peiljaar een leefeenheid hebben gevormd. Het peiljaar is uitsluitend van belang voor het opvragen van inkomensgegevens bij de Belastingdienst. Appellant is van oordeel dat uit de nota van toelichting bij het Bijdragebesluit zorg blijkt dat met betrekking tot het materiële recht geen wijziging is beoogd van de situatie onder de voorheen bestaan hebbende subsidieregeling, waarbij de draagkracht van de leefeenheid tijdens de periode waarin de zorg ontvangen is bepalend werd geacht.

Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij haar in eerdere aanleg naar voren gebrachte standpunt.

De Raad zal zich beperken tot het punt van geschil. Derhalve moet de vraag worden beantwoord of appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij het vaststellen van de eigen bijdrage voor thuiszorg uitgangspunt behoort te zijn het inkomen in het peiljaar van de in het zorgjaar aanwezige leefeenheid, ook dan wanneer de partners in het peiljaar nog geen leefeenheid vormden.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Het volgende wordt overwogen.

Artikel 16d, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg (Stb. 1996, 486), zoals het luidde ten tijde in geding (hierna: Bijdragebesluit), bepaalt, voor zover hier van belang, dat de verzekerde voor thuiszorg een bijdrage verschuldigd is van f 10,-- per uur.

Artikel 16d, vierde lid, onder e van het Bijdragebesluit bepaalt dat indien van een leefeenheid een meerderjarige deel uitmaakt, die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, de bijdrage voor de leefeenheid bij een bijdrageplichtig inkomen van f 51.000,- tot f 61.000,-- maximaal f 115,-- per week bedraagt.

Artikel 16 aanhef en onder b, van het Bijdragebesluit bepaalt dat onder bijdrageplichtig inkomen wordt verstaan: "(…) het inkomen van de gehuwde verzekerden die deel uitmaken van een leefeenheid tezamen".

Artikel 16, aanhef en onder c, van het Bijdragebesluit zorg definieert peiljaar als "het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarin de verzekerde zijn aanspraak op zorg tot gelding brengt."

Artikel 16e, eerste lid, van het Bijdragebesluit bepaalt dat voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 16d, tweede tot en met vijfde lid, dient te worden uitgegaan van het inkomen in het peiljaar. Het vierde lid bepaalt dat op aanvraag van de verzekerde een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaatsvindt, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het inkomen in het lopende jaar ten minste f 4.000,-- lager zal zijn dan het inkomen in het peiljaar.

De Raad is van oordeel dat met dit samenstel van bepalingen niet onverenigbaar is om bij de vaststelling van de eigen bijdrage, die een verzekerde verschuldigd is voor thuiszorg, uit te gaan van de leefsituatie in het jaar waarin de zorg wordt genoten (het zorgjaar), en deze bijdrage te baseren op het gezamenlijk inkomen van de partners, die in het zorgjaar een leefeenheid vormen, in het peiljaar, ook dan wanneer in het peiljaar nog geen leefeenheid werd gevormd. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de tekst van deze bepalingen daaraan niet in de weg staat en dat uit de nota van toelichting bij het Bijdragebesluit blijkt dat de bijdrageregeling, waarin is voorzien, materieel zoveel mogelijk overeenkomt met de eigen bijdrageregeling, zoals deze voorheen gold ingevolge de subsidieregeling voor de gezinsverzorging. Ten tijde van die regeling werd uitgegaan van de draagkracht van de leefeenheid ten tijde van het ontvangen van de zorg. Dat in het kader van het Bijdragebesluit gekeken wordt naar het inkomen in het peiljaar is blijkens de nota van toelichting ingegeven door het belang van een praktische uitvoerbaarheid, te weten het kunnen afgaan op gegevens van de Belastingdienst omtrent de hoogte van het inkomen, welke gegevens doorgaans in het zorgjaar nog niet bekend (kunnen) zijn. Ten slotte heeft de Raad in aanmerking genomen dat in artikel 16e, vierde lid, is voorzien in een regeling voor gevallen waarin het inkomen in het zorgjaar naar redelijke verwachting substantieel lager zal zijn dan in het peiljaar, met dien verstande dat alsdan op aanvraag van de verzekerde een voorlopige vaststelling van de eigen bijdrage plaatsvindt aan de hand van de actuele inkomensgegevens.

Aangezien het inkomen van appellante in het zorgjaar volgens haar - onbetwist gebleven - opgave d.d. 6 februari 2000 nihil was en dat van haar echtgenoot in dat jaar f 45.994,--, gaat de Raad ervan uit dat appellant alsnog zal zorgdragen voor toepassing van het bepaalde in artikel 16e, vierde lid, van het Bijdragebesluit.

Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Dit besluit dient te worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het inleidend beroep ongegrond verklaren.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AWBZ | AWBZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x