Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AWBZ
x
LJN:
x
AF6585
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Maatstaf voor de vaststelling van de onderhoudsbijdrage van een studerend kind bij de berekening van de eigen bijdrage AWBZ. Het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/6294 AWBZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

O.W.M. Agis Zorgverzekeringen u.a., gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 28 december 1999 heeft gedaagde de eigen bijdrage in de kosten van zorg, als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), verleend aan [naam echtgenote], met ingang van 1 juli 1999 vastgesteld op f 540,-- per maand.

Gedaagde heeft het bezwaar tegen dat besluit bij het bestreden besluit van 31 augustus 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank Utrecht heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak van 2 november 2001 ongegrond verklaard.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Appellant heeft desgevraagd bij brief van 21 december 2002 een reactie ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 januari 2003. Appellant is daar in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. C.C.J. Splint, werkzaam in dienst van gedaagde.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende tussen partijen niet in geschil zijnde feiten en omstandigheden.

De echtgenote van appellant, [naam echtgenote], verbleef ten tijde van belang in een AWBZ-instelling. De daarvoor ingevolge artikel 6, derde lid, van de AWBZ verschuldigde eigen bijdrage is bij het bestreden besluit vastgesteld op f 540,-- per maand. Gedaagde is daarbij uitgegaan van een bijdrageplichtig inkomen van f 52.145,34 per jaar.
Appellant stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen ten onrechte geen rekening is gehouden met een betaalde onderhoudsbijdrage van f 21.134,-- ten behoeve van zijn studerende dochter. Hij is van mening dat deze bijdrage in het levensonderhoud van zijn dochter geheel van zijn inkomen dient te worden afgetrokken. Daartoe is een beroep gedaan op de tekst van artikel 8 van het Bijdragebesluit zorg, op onder verantwoordelijkheid van gedaagde beschikbaar gesteld informatiemateriaal en op een schriftelijke verklaring d.d. 7 november 2000 van M. van der Lee van het College voor zorgverzekeringen. Tevens is een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. In dat verband is erop gewezen dat bij de vaststelling van de eigen bijdrage over 1997 en 1998 wel met het gehele bedrag van de onderhoudsbijdrage rekening is gehouden.

Gedaagde heeft aangevoerd dat bij de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen rekening is gehouden met een onderhoudsbijdrage voor de dochter van f 5.389,08. Dit bedrag is gelijk aan de "ouderbijdrage" vastgesteld door de Informatiebeheergroep. Gedaagde acht de door appellant opgevoerde onderhoudsbijdrage abnormaal hoog en onredelijk. Gedaagde beroept zich op een circulaire van de voormalige Ziekenfondsraad aan de uitvoeringsorganen AWBZ van 7 mei 1997, waarin dit naar zijn mening is voorgeschreven. Een bijzonder geval om daarvan af te wijken acht gedaagde niet aanwezig. Met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaagde naar voren gebracht dat het - gezien toen van toepassing zijnd overgangsrecht - in 1997 en 1998 niet relevant was om de hoogte van de door appellant opgevoerde onderhoudsbijdrage te betwisten. Aan de omstandigheid dat met betrekking tot de juistheid van die bijdragen geen reactie is afgegeven, kan volgens gedaagde niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat die bijdragen toen zijn geaccepteerd.

De Raad dient gelet op het vorenstaande de vraag te beantwoorden of gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen slechts rekening kan worden gehouden met een bedrag ter grootte van de "ouderbijdrage" als bedoeld in de Wet op de studiefinanciering.

Hij beantwoordt die vraag als volgt.

Blijkens artikel 6, derde lid, van de AWBZ kan bij algemene maatregel van bestuur als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking worden gesteld, dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan. Artikel 2, eerste lid, van de desbetreffende algemene maatregel van bestuur, het Bijdragebesluit zorg (het Besluit), bepaalt dat de verzekerde van 18 jaar of ouder bijdraagt in de kosten van zorg, welke door een instelling of verzorgingshuis wordt verleend.

Artikel 5, eerste lid, van het Besluit luidde ten tijde in geding, voor zover van belang, als volgt:
"Voor de vaststelling van de bijdrage wordt uitgegaan van het bijdrageplichtig inkomen dat in het berekeningsjaar (...) is genoten, of redelijkerwijs geacht kan worden te zijn genoten."

De artikelen 6 tot en met 8 van het Besluit bepaalden op welke wijze het bijdrageplichtige inkomen dient te worden vastgesteld. Blijkens dit samenstel van artikelen dient te worden uitgegaan van het inkomen van de verzekerde in het refertejaar verminderd met limitatief opgesomde aftrekposten.

Artikel 8 van het Besluit luidde ten tijde van belang met betrekking tot de in geschil zijn de aftrekpost als volgt:
"Uitkeringen, gedaan om te voorzien in de kosten van onderhoud, worden, na toepassing van de artikelen 5, 6 en 7, op de inkomsten in mindering gebracht, voor zover deze naar redelijke maatstaven strekken tot dat doel en worden gedaan ten behoeve van eigen, aangehuwde en pleegkinderen, mits voor die kinderen op grond van de artikelen 7 en 26 van de Algemene Kinderbijslagwet recht op een uitkering bestaat of aan die kinderen, voor zover ze de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt, studiefinanciering is toegekend krachtens de Wet op de studiefinanciering."

De Raad is van oordeel dat uit de tekst van artikel 8 van het Besluit volgt dat aan de in dat artikel omschreven kinderen betaalde financiële bijdragen op het inkomen in mindering dienen te worden gebracht, voor zover die bijdragen er naar redelijke maatstaf toe strekken om te voorzien in het onderhoud van die kinderen. De Raad heeft noch in de nota van toelichting noch in het systeem van het Besluit aanknopingspunten gevonden voor een andere uitleg.

Hieruit volgt dat gedaagde - door ervan uit te gaan dat slechts de in de Wet op de studiefinanciering bedoelde ouderbijdrage op het inkomen in mindering kan worden gebracht - een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Het standpunt van gedaagde dat correct toepassing is gegeven aan de op 7 mei 1997 gedateerde circulaire AWBZ/10/97 van de voormalige Ziekenfondsraad kan dit niet rechtvaardigen aangezien deze circulaire in zoverre in strijd moet worden geacht met artikel 8 van het Besluit. Daarbij komt nog dat de door gedaagde toegepaste maatstaf evenmin overeenstemt met het onder verantwoordelijkheid van gedaagde verspreide voorlichtingsmateriaal dat uitgaat van de feitelijk ten behoeve van het levensonderhoud gedane betalingen.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering berust, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Aangezien het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond is verklaard, kan ook deze uitspraak niet in stand blijven.

Gedaagde zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dienen te nemen. Hij zal daarbij aandacht moeten besteden aan de tot nu toe niet onderzochte vraag of de door appellant opgevoerde bijdragen feitelijk zijn betaald en naar redelijke maatstaf konden strekken tot het onderhoud van zijn studerende dochter.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 9,20 aan reiskosten. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Draagt gedaagde op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met in achtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van door appellant gemaakte proceskosten tot een bedrag groot € 9,20;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van het door appellant in beroep en in hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage van € 104,37.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2003.
        
(get.) M.I. 't Hooft.

(get) E.W.F. Menkveld-Botenga.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AWBZ | AWBZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x