Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AWBZ
x
LJN:
x
AS7118
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn bij de indicatiestelling ten onrechte geen uren ge´ndiceerd voor het koken van de warme maaltijden?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/6052 AWBZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de onderlinge waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds U.A.F., gevestigd te Enschede, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 oktober 2002, reg.nr. 01/1192 AWBZ.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 december 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Voets en gedaagde door mr. A. Vosmeijer, werkzaam bij gedaagde.




II. MOTIVERING


De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 17 november 2000 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag om een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) ingediend.

Bij brief van 19 december 2000 heeft het Indicatie Orgaan Arnhem (hierna: het Indicatieorgaan) aan appellant medegedeeld dat op 8 december 2000 een indicatiebesluit is vastgesteld, inhoudende - voorzover hier van belang - dat geen uren zijn ge´ndiceerd voor het koken van de warme maaltijden omdat gebruik kan worden gemaakt van een voorliggende voorziening (koel/vers maaltijden van de SWOA). Aan het slot van die brief is vermeld dat tegen het indicatiebesluit bezwaar kan worden gemaakt.

Bij uitspraak van 19 december 2000 (op 24 februari 2001 gepubliceerd in USZ 2001, nr. 52) heeft de Raad geoordeeld dat een indicatiestelling als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad heeft voorts aangegeven dat bezwaren tegen een indicatiestelling - slechts - aan de orde kunnen worden gesteld in het kader van (het) bezwaar tegen het besluit van het ziekenfonds of de zorgverzekeraar inzake de aanspraken van de verzekerde op zorg.

Bij besluit van 24 januari 2001 heeft gedaagde aan appellant een PGB toegekend voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2001. Daarbij heeft gedaagde de indicatiestelling van 19 december 2000 tot uitgangspunt genomen. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 januari 2001.

Bij brief van 30 januari 2001 heeft appellant bij het Indicatieorgaan een bezwaarschrift ingediend tegen de brief van het Indicatieorgaan van 19 december 2000. Appellant is van mening dat ten onrechte geen uren zijn ge´ndiceerd voor het koken van de warme maaltijden.

Bij brief van 16 maart 2001 heeft de secretaris van de bezwaarschriftencommissie van het Indicatieorgaan het bezwaarschrift doorgezonden aan gedaagde. Van deze doorzending heeft de secretaris bij brief van eveneens 16 maart 2001 mededeling gedaan aan appellant.

Bij brief van 10 april 2001 heeft gedaagde appellant medegedeeld het bezwaar, gelet op de uitspraak van de Raad van 19 december 2000, in behandeling te nemen als zijnde gericht tegen het besluit (van gedaagde) van 24 januari 2001.

Bij besluit van 17 mei 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 17 mei 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar van appellant tegen de brief van het Indicatieorgaan van 19 december 2000 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat gedaagde het bezwaarschrift ter verdere behandeling doorstuurt aan het Indicatieorgaan. De rechtbank heeft - kort weergegeven - geoordeeld dat gedaagde het bezwaar tegen de brief van het Indicatieorgaan van 19 december 2000 ten onrechte in behandeling heeft genomen als zijnde gericht tegen het besluit (van gedaagde) van 24 januari 2001 en dat, nu gedaagde dit niettemin heeft gedaan, hij het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren aangezien dit - slechts - door het Indicatieorgaan kan worden behandeld.

Appellant heeft dit oordeel van de rechtbank gemotiveerd betwist.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad is buiten twijfel dat het bezwaarschrift van 30 januari 2001 is gericht tegen de brief van het Indicatieorgaan van 19 december 2000 en niet tegen het besluit van gedaagde van 24 januari 2001. Voor doorzending van het bezwaarschrift aan gedaagde bestaat derhalve geen (rechts)grond.

Eveneens staat vast dat, ondanks het feit dat de uitspraak van de Raad op 24 februari 2001 is gepubliceerd in USZ en uit de gedingstukken blijkt dat die uitspraak kort na de publicatie - en daarmee binnen de bezwaartermijn - bij de gemachtigde van appellant bekend was, en ondanks het feit dat aan het slot van het besluit van gedaagde van 24 januari 2001 is vermeld dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt, tegen dat besluit geen bezwaar is gemaakt.

In die omstandigheden ziet de Raad geen grond voor het volgen van de door het Indicatieorgaan en gedaagde gekozen constructie, waarin het bezwaar tegen de brief van het Indicatieorgaan van 19 december 2000 in wezen wordt geconverteerd in een bezwaar tegen het besluit van gedaagde van 24 januari 2001.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor de goede orde merkt de Raad nog op dat doorzending van het bezwaarschrift van 30 januari 2001 aan (de rechtsopvolger van) het Indicatieorgaan achterwege kan blijven, nu daarop geen andere beslissing kan worden genomen dan niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.

Ten overvloede overweegt de Raad met betrekking tot het bezwaar van appellant tegen het niet indiceren van uren voor het koken van de warme maaltijden nog, dat niet is gebleken dat de in de indicatiestelling genoemde voorliggende voorziening naar objectiefmedische maatstaf niet als adequaat kan worden aangemerkt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. 't Hooft en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2005.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AWBZ | AWBZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x