Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AWBZ
x
LJN:
x
AU9003
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling van de eigen bijdrage ingevolge artikel 4, aanhef en onder 1, van het Bijdragebesluit zorg.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/1360 AWBZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

OWM Agis Zorgverzekeringen u.a., als rechtsopvolger van OWM ANOVA Zorgverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 januari 2005, reg.nr. 03/2585.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op dit verweerschrift schriftelijk gereageerd en nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 november 2005, waar appellant - met bericht - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door C.C.J. Splint, werkzaam bij OWM Agis Zorgverzekeringen u.a.




II. MOTIVERING


Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten, de toepasselijke regelgeving en de standpunten van partijen in eerste aanleg verwijst de Raad, mede gelet op de inhoud van de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
Appellant is in verband met een dwarslaesie vanaf 19 maart 2001 tot 24 september 2001 opgenomen geweest in revalidatiecentrum Hoogstraat te Utrecht. Gedurende dit verblijf is appellant op grond van artikel 14 van het Bijdragebesluit zorg (hierna: Bijdragebesluit) de zogeheten lage eigen bijdrage opgelegd.
Op 24 september 2001 is appellant overgeplaatst naar zorgcentrum Rosendael en is bij hem een inkomensonderzoek verricht. Vervolgens is appellant bij besluit van 24 januari 2002 meegedeeld dat hij ingevolge artikel 4, aanhef en onder 1, van het Bijdragebesluit met ingang van 24 september 2001 een (hoge) eigen bijdrage is verschuldigd van 399,49 per maand. Blijkens het bij dit besluit gevoegde berekeningsoverzicht heeft gedaagde bij de vaststelling van die eigen bijdrage een bedrag van 4.481,68 aan revalidatiekosten op het bijdrageplichtig inkomen in mindering gebracht.

Bij besluit van 3 maart 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 maart 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Hiertoe heeft appellant ook in hoger beroep onder meer aangevoerd dat bij de vaststelling van de hoge eigen bijdrage ten onrechte geen rekening is gehouden met kosten die appellant heeft gemaakt teneinde zijn terugkeer naar zelfstandig wonen mogelijk te maken.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gelet op de in het Bijdragebesluit opgenomen bepalingen ter zake van de vaststelling van de eigen bijdrage, en met name op het bepaalde in artikel 10, eerste en tweede lid, van het Bijdragebesluit waarin is omschreven welke kosten in verband met terugkeer naar de maatschappij na verblijf in de instelling of het verzorgingshuis op de inkomsten in mindering worden gebracht, onderschrijft de Raad de in de aangevallen uitspraak neergelegde beslissing van de rechtbank. Daaraan voegt de Raad toe dat, zoals de Raad reeds in zijn uitspraak van 16 april 1999 (LJN AA8592) heeft overwogen, in het Bijdragebesluit een strak omlijnde en uitputtende regeling is gegeven, niet alleen met betrekking tot wat onder het bijdrageplichtig inkomen valt, maar ook met betrekking tot wat daarvan is uitgezonderd dan wel wordt toegestaan als aftrekpost. Nu de door appellant gemaakte kosten ter zake van de aanschaf van zijn nieuwe woning en de inrichting daarvan niet als aftrekpost in artikel 10 of in een van de overige bepalingen van het Bijdragebesluit is opgenomen heeft gedaagde, mede gelet op het feit dat in het Bijdragebesluit een hardheidclausule ontbreekt, die kosten terecht niet op het bijdrageplichtig inkomen van appellant in mindering gebracht.

De Raad is voorts niet gebleken dat gedaagde de hoogte van de opgelegde hoge eigen bijdrage op onjuiste wijze heeft berekend.

In hetgeen overigens door appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Ter zake van de voor appellant ontstane achterstand in de betaling van de door hem verschuldigde hoge eigen bijdrage merkt de Raad overigens op dat gedaagde zich ter zitting - desgevraagd - bereid heeft verklaard om de aflossingsperiode van die schuld te verruimen van drie naar zeven jaar.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.I. t Hooft, in tegenwoordigheid van S.M.A. School als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005.

(get.) M.I. t Hooft.

(get.) S.M.A. School.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AWBZ | AWBZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x