Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AWBZ
x
LJN:
x
AY5938
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van het verzoek om deelname aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AWBZ omdat de aanvraag buiten de daarvoor geldende wettelijke termijn is ingediend. Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang, nu het geschil de beoordeling betreft van deelname aan de (risico)verzekering over een afgesloten periode in het verleden.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3750 AWBZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2004, 02/4362 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB).

Datum uitspraak: 2 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Benlahbib. SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A.J. Mastenbroek, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 27 mei 2002 heeft SVB de aanvraag van appellant om deelname aan de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) afgewezen, omdat de aanvraag buiten de daarvoor geldende wettelijke termijn is ingediend.

Bij besluit van 6 september 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 september 2002 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij destijds niet tijdig op de hoogte was geraakt van de mogelijkheid van een vrijwillige verzekering ingevolge de AWBZ.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Per 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet in werking getreden. Sinds die datum is het niet meer mogelijk om zich vrijwillig te verzekeren in het kader van de AWBZ. Aangezien het geschil de beoordeling betreft van deelname aan deze (risico)verzekering over een afgesloten periode in het verleden is appellant van de zijde van de Raad gevraagd zijn procesbelang nader aan te geven.

Appellant heeft bij brief van 27 april 2006 aangegeven dat zijn aanvraag betrekking heeft op de vrijwillige verzekering in het kader van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw) en niet op de vrijwillige verzekering in het kader van de AWBZ. Ter zitting heeft zijn gemachtigde meegedeeld dat appellant tevreden is met de per 1 januari 2006 voor hem geldende wettelijke regeling van ziektekosten en dat zijn belang is gelegen in met name de vrijwillige Anw-verzekering, omdat appellant ernstig ziek is en hij zijn vrouw financieel verzorgd wil achterlaten ingeval van overlijden.

Uit vaste jurisprudentie van de Raad vloeit voort dat eerst sprake is van voldoende processueel belang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

Nu het onderhavige geding uitsluitend betrekking heeft op deelname aan de vrijwillige verzekering in het kader van de AWBZ en niet op de vrijwillige verzekering voor de AOW of de Anw kan geen rechtens te respecteren, tot zijn persoon te herleiden belang bij een beoordeling ten gronde van het besluit van 6 september 2002 worden vastgesteld. Nu evenmin is gebleken dat appellant sinds 1 januari 2000 voor eigen rekening zorg heeft genoten die ten laste van de AWBZ zou zijn gekomen indien hij over die periode wel (vrijwillig) verzekerd zou zijn geweest, is ook anderszins geen procesbelang aanwezig.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2006.

(get.) R.M. van Male.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AWBZ | AWBZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x