Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AWBZ
x
LJN:
x
AZ8508
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is het aantal geļndiceerde uren huishoudelijke hulp toereikend? Extra uren voor administratie en boodschappen. Gebruik van de maaltijddienst.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5823 AWBZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 september 2004, 03/1396 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, als rechtsopvolgster van het Regionaal Indicatie Orgaan Midden-IJssel (hierna: Ciz).

Datum uitspraak: 31 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. G. Tuenter, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Ciz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2006. Appellante is niet verschenen. Ciz heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W.J.M. Peters, juridisch adviseur bij de Stichting StimulanSZ.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

In verband met de aandoening waaraan appellante lijdt en de daaruit voortvloeiende vermoeidheidsklachten, is aanvankelijk thuiszorg in de vorm van twee uur gespecialiseerde verzorging per week en acht uur huishoudelijke verzorging per week geļndiceerd.

Op 15 november 2002 heeft appellante een aanvraag om wijziging van de geļndiceerde uren ingediend. Appellante wenst vijftien tot 30 uur thuiszorg per week. Bij die aanvraag heeft appellante onder meer aangegeven dat zij als gevolg van haar vermoeidheidsklachten niet in staat is de huishoudelijke taken te verrichten, boodschappen te doen en te koken. Na onderzoek zijn bij besluit van 10 december 2002 zes uren huishoudelijke verzorging per week en anderhalf uur verpleging per week geļndiceerd.

Appellante heeft tegen het besluit van 10 december 2002 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 december 2003 heeft Ciz het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 december 2002 ongegrond verklaard. Hieraan ligt onder meer het standpunt ten grondslag dat appellante voor de boodschappen en het bereiden van de maaltijden gebruik kan maken van een boodschappenservice en een maaltijdvoorziening.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 11 december 2003 ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het aantal geļndiceerde uren per week voor huishoudelijke hulp niet toereikend is. Een groot deel van die uren gaat op aan het verrichten van administratieve taken door de hulpverlener, nu appellante daarvoor onvoldoende energie heeft en er geen vrijwilliger beschikbaar is die haar daarbij kan helpen. Voorts is aangevoerd dat appellante voedselintoleranties heeft, waardoor zij niet alle voedingsmiddelen kan verdragen. Deze voedselintoleranties zijn door haar internist F.P.L. van Loon aannemelijk geacht, zodat een dieet medisch is geļndiceerd. In verband hiermee kan appellante geen gebruik maken van een maaltijddienst. Appellante kan ook geen beroep doen op mantelzorg om haar maaltijden te bereiden. Ook voor het doen van boodschappen is hulp nodig. De leveranciers van de vereiste dieetproducten hebben geen boodschappenservice en ook de aanwezige supermarkten bezorgen geen boodschappen thuis.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) voorzien burgemeester en wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, slechts bestaat indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

Ingevolge artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit wordt als vorm van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ onder meer aangewezen de zorg, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder a en b, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering (hierna: Besluit).

Artikel 15 van het Besluit, voor zover hier van belang, bepaalt dat zorg te verlenen door een instelling voor thuiszorg omvat:
a. verpleging, verzorging, begeleiding of voorlichting in verband met ziekte, herstel, invaliditeit of ouderdom;
b. hulp van huishoudelijke, persoonlijke of begeleidende aard in verband met ziekte, herstel, invaliditeit, ouderdom, overlijden of een psychosociaal probleem, die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de verzekerde dan wel van de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort.

Bij de beantwoording van de vraag voor welke zorg appellante dient te worden geļndiceerd, heeft Ciz aansluiting gezocht bij de “Algemeen Aanvaarde Standaard gezinsVerzorging” (hierna: AASV), opgenomen in een uitgave van het Verwey-Jonker Instituut over opvattingen en normen over de inzet van gezinsverzorging. Daarin wordt uitgegaan van de eigen mogelijkheden van het huishouden en van het vertrekpunt dat de aanvullende zorgverlening tot doel heeft de zelfredzaamheid van het huishouden te vergroten dan wel te handhaven. De inzet van de AWBZ-zorg wordt daarbij in sterke mate bepaald door al dan niet aanwezige (mantel)zorg. Hierbij speelt zowel interne als externe mantelzorg een belangrijke rol, waarbij de externe mantelzorg een vrijwillig karakter heeft. Ook kan worden gedacht aan het gebruik van externe (gesubsidieerde en commerciėle) voorzieningen, zoals een maaltijddienst. Het gebruik daarvan is blijkens de AASV afhankelijk van de beschikbaarheid van dergelijke voorzieningen, van het besteedbare inkomen, van de kwaliteit van de geboden diensten en uiteraard van opvattingen over de wenselijkheid van dit gebruik. In de AASV is voorts een aantal taken vermeld die expliciet van zorgverlening zijn uitgesloten. Zo wordt geen zorg verleend indien het administratieve en financiėle taken betreft. Voor deze taken wordt verwezen naar een externe instantie zoals het maatschappelijk werk.

Met betrekking tot de door appellante verlangde hulp bij haar administratie is de Raad van oordeel dat Ciz de hiermee gemoeide tijd terecht niet bij de indicatiestelling in aanmerking heeft genomen. De Raad is niet gebleken van dusdanig bijzondere omstandigheden dat Ciz terzake niet onverkort aan de AASV mocht vasthouden.

Met betrekking tot het bereiden van de (warme) maaltijden is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat bij appellante sprake is van - op medische gronden en naar objectieve maatstaven vastgestelde - aandoeningen als gevolg waarvan zij is aangewezen op het door de internist Van Loon voorgeschreven dieet. Nu ook anderszins niet is gebleken van belemmeringen die aan het gebruik van een maaltijddienst in de weg staan, heeft Ciz in dit geval de maaltijddienst terecht aangemerkt als een externe voorziening waarop appellante een beroep kan doen. Derhalve is bij de indicatiestelling de met het bereiden van de (warme) maaltijden gemoeide tijd terecht buiten beschouwing gelaten.

De vraag of er bij de indicatiestelling terecht van is uitgegaan dat appellante voor haar boodschappen eveneens een beroep kan doen op een externe voorziening in de vorm van een bezorgservice of een boodschappendienst beantwoordt de Raad, anders dan Ciz en de rechtbank, ontkennend. Hiertoe overweegt de Raad dat blijkens de door appellante in hoger beroep overgelegde stukken geen sprake is van een bezorgservice bij de in haar omgeving aanwezige supermarkten en levensmiddelenwinkels. De namens Ciz ter zitting aangegeven mogelijkheid dat uit informatie op het internet is gebleken dat in Deventer klussendiensten aanwezig zijn, die ook bereid zijn om boodschappen te doen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Hiermee is immers nog niet komen vast te staan dat appellante voor haar boodschappen ook daadwerkelijk op die klussendiensten een beroep kan doen.

Het voorgaande betekent dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten - het beroep tegen het besluit van 11 december 2003 gegrond dient te worden verklaard en dat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

De Raad zal Ciz opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dit betekent dat Ciz zal moeten onderzoeken of in verband met het doen van boodschappen ten tijde en over de periode in geding meer dan zeveneneenhalf uur per week moet worden geļndiceerd voor zorgverlening als bedoeld in artikel 15 van het Besluit.

Ciz zal in het nieuw te nemen besluit op bezwaar tevens dienen te beslissen over het namens appellante in bezwaar gedane verzoek om vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om Ciz te veroordelen in de proceskosten van appellante, begroot op € 483,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 december 2003 gegrond;
Vernietigt het besluit van 11 december 2003;
Bepaalt dat Ciz een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt Ciz in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.127,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat Ciz aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2007.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) S.R. Bagga.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AWBZ | AWBZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x