Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AWBZ
x
LJN:
x
BA1357
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-03-2007
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene heeft geen aanspraak op zorg in de vorm huishoudelijke verzorging omdat deze vorm van zorg in de situatie van betrokkene is aan te merken als gebruikelijke zorg, nu haar partner in staat wordt geacht de huishoudelijke taken te verrichten. Wijziging van de regelgeving. Door niet op de zitting te verschijnen en het niet overleggen van stukken beschikt de voorzieningenrechter niet over gegevens omtrent de actuele situatie van betrokkene.
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 07/104 AWBZ-VV




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

de stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, als rechtsopvolgster van het Regionaal Indicatieorgaan Nijmegen, gevestigd te Driebergen (hierna: Ciz),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 13 november 2006, 06/4763, 06/4998 en 06/5001 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

Ciz.

Datum uitspraak: 22 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Ciz heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoekster heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat te Nijmegen, een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2007. Verzoekster is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. Ciz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.M. Raaijmakers, werkzaam bij Ciz. Ter zitting heeft Ciz een (nader) besluit van 28 december 2006 overgelegd.




II. OVERWEGINGEN


Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster heeft op 21 september 2004 een aanvraag ingediend om een indicatie voor zorg in de vorm van huishoudelijke verzorging. Bij besluit van 9 december 2004 is aan verzoekster medegedeeld dat zij op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) geen aanspraak heeft op zorg in de vorm van huishoudelijke verzorging. Daaraan is ten grondslag gelegd dat deze vorm van zorg in de situatie van verzoekster is aan te merken als gebruikelijke zorg, nu haar partner in staat wordt geacht de huishoudelijke taken te verrichten. Niettemin is aan verzoekster voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2005 een indicatie afgegeven om verzoekster gedurende die zes maanden in de gelegenheid te stellen de taakverdeling binnen het huishouden aan te passen en naar eigen oplossingen te zoeken voor het wegvallen van de eerder wel geÔndiceerde zorg.

Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft CIZ het bezwaar tegen het besluit van 9 december 2004 - opnieuw - ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, Ciz opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en - met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, eerste volzin (slot) en tweede volzin, van de Awb - het besluit van 9 december 2004 geschorst en bepaald dat Ciz met ingang van 13 november 2006 aan verzoekster een indicatie afgeeft die overeenkomt met de voorheen door verzoekster genoten zorg voor 16 uur per week, zulks tot zes weken na verzending van het door Ciz - andermaal - te nemen nieuwe besluit op bezwaar.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat door het instellen van het hoger beroep de werking van de aangevallen uitspraak van rechtswege is geschorst en dat het verzoek om voorlopige voorziening ertoe strekt die schorsende werking op te heffen voor zover het de bij de aangevallen uitspraak getroffen voorlopige voorziening betreft.

In het kader van de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter in de eerste plaats dat het, gelet op de complexiteit en het principiŽle karakter van de in de hoofdzaak te beantwoorden rechtsvragen, niet aangewezen is om thans een voorlopig oordeel te geven over de juistheid van het in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel over de rechtmatigheid van het in beroep bestreden besluit van 3 oktober 2006.

Vervolgens stelt de voorzieningenrechter vast dat Ciz bij het ter zitting overgelegde besluit van 28 december 2006 aan verzoekster in verband met dreigende overbelasting een indicatie heeft afgegeven voor zorg in de vorm van huishoudelijke verzorging (klasse 3: 4-6,9 uur per week) voor de periode van 13 november 2006 tot 13 februari 2007. Daarbij is vermeld dat indien na afloop van die periode nog steeds sprake is van dreigende overbelasting, verzoekster zich - nu met ingang van 1 januari 2007 de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) in werking is getreden - tot haar gemeente dient te wenden.

Als gevolg van het feit dat verzoekster niet ter zitting is verschenen en daaraan voorafgaand ook geen nadere schriftelijke informatie terzake heeft verstrekt, beschikt de voorzieningenrechter niet over gegevens omtrent de actuele situatie van verzoekster. In het bijzonder is niet duidelijk of verzoekster zich rond 13 februari 2007 al dan niet tot haar gemeente heeft gewend en derhalve evenmin of zij thans ingevolge het bepaalde bij en krachtens de Wmo zorg in de vorm van huishoudelijke verzorging geniet. In deze omstandigheden is er onvoldoende feitelijke grondslag voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek moet worden afgewezen.

Voor bepalingen over de proceskosten en het griffierecht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2007.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AWBZ | AWBZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x