Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AWBZ
x
LJN:
x
ZB8770
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-05-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling van de maximaal verschuldigde eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de AWBZ voor verleende thuiszorg op ten hoogste f 175,- per week. Is betrokkene voor de vaststelling van de eigen bijdrage terecht ingedeeld in de bijdrageplichtige categorie van f 61.000,- tot f 93.000,-?
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/3636 AWBZ




U I T S P R A A K




In het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorgverzekeraars Trias U.A., gevestigd te Gorinchem, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij facturen van 9 februari 1998 is namens gedaagde aan appellant kennis gegeven
van het besluit om de maximaal verschuldigde eigen bijdrage als bedoeld in
artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor
verleende thuiszorg vast te stellen op f 175,-- per week.

Bij het bestreden besluit van 19 juni 1998 is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij de aangevallen uitspraak
van 3 juni 1999 het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Naar die
uitspraak wordt hierbij verwezen.

Namens appellant is mr. J.H. Bosveld, sociaal raadsvrouw bij de Algemene
Nederlandse Gehandicapten Organisatie, op bij aanvullend beroepschrift (met
bijlagen) aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift en bij brief van 6 januari 2000 desgevraagd
stukken ingezonden.

Namens appellant is bij faxbericht van 30 maart 2000 een nadere toelichting op
het beroep gegeven. Voorts zijn daarbij nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 april 2000, waar voor
appellant zijn verschenen mr. Bosveld voornoemd en C, zijn echtgenote, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Blufpand, juridisch
medewerkster bij Van Wylick en Huntjens bedrijfsjuristen te Lepelstraat.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende - tussen partijen niet
in geschil zijnde - feiten en omstandigheden.

Appellant is gehandicapt en als gevolg daarvan zodanig hulpbehoevend dat zijn
uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 15 augustus 1992 zijn
verhoogd tot 85% van de grondslag. Deze verhoging is toegekend omdat appellant
volgens het bestuur van de bevoegde bedrijfsvereniging geregelde oppassing en
verzorging behoeft.

Appellant ontvangt thuishulp via thuiszorginstelling X. De daarvoor
verschuldigde bijdrage is bij het in rubriek I genoemde, thans bestreden besluit
van 19 juni 1998 vastgesteld op ten hoogste f 175,-- per week. Gedaagde is
daarbij uitgegaan van het peiljaar 1995 en een belastbaar inkomen van appellant
in dat jaar van f 48.929,-- en van zijn echtgenote van f 14.631,--.
Gelet hierop is gedaagde van oordeel dat appellant voor de vaststelling van de
eigen bijdrage moet worden ingedeeld in de bijdrageplichtige categorie van f
61.000,-- tot f 93.000,--.

De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in
rechte stand houdt. De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank, en
onder verwijzing naar de overwegingen van de aangevallen uitspraak, bevestigend.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de verhoging van de
AAW/WAO-uitkering naar 85% van de grondslag buiten beschouwing dient te worden
gelaten bij de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen aangezien deze
verhoging bedoeld is als een tegemoetkoming voor allerlei niet of moeilijk
kwantificeerbare kosten die samenhangen met de hulpbehoevendheid. Wanneer deze
verhoging leidt tot een hogere eigen bijdrage voor de thuiszorg leidt dit niet
tot de beoogde toename van het besteedbare inkomen. De gemachtigde van appellant
heeft naar voren gebracht dat de verhoging van de AAW/WAO-uitkering ertoe leidt
dat het belastbaar inkomen van appellant meer dan evenredig wordt verhoogd,
hetgeen naar haar oordeel onder meer wordt veroorzaakt door de omstandigheid dat
de mogelijkheid om buitengewone lasten via belastingteruggave (gedeeltelijk)
vergoed te krijgen verminderd is, omdat daarbij uitgegaan moet worden van een
hoger onzuiver inkomen. Daarnaast is appellant door de verhoging niet langer
verplicht verzekerd voor ziektekosten en heeft hij een duurdere particuliere
ziektekostenverzekering moeten afsluiten. Van de verhoging blijft door
bovenstaande mechanismen slechts een beperkt deel over voor het door appellants
gemachtigde gestelde eigenlijke doel van de verhoging van de AAW/WAO-uitkering.
Van dit deel blijft naar haar oordeel echter niets meer over, wanneer, zoals in
het geval van appellant, de eigen bijdrage thuiszorg in de berekening wordt
betrokken. Zou de verhoging van de AAW/WAO-uitkering immers niet worden
betrokken bij de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen dan zou een
eigen bijdrage van ten hoogste f 58,-- in plaats van f 175,-- per week
verschuldigd zijn. Aangevoerd is dat dit niet redelijk is en dat niet kan worden
volgehouden dat deze effecten door de wetgever zijn onderkend en geaccepteerd.

Gedaagde heeft aangevoerd dat de eigen bijdrage wordt vastgesteld overeenkomstig
het Bijdragebesluit Zorg. Blijkens dit besluit dient voor de vaststelling van de
eigen bijdrage te worden uitgegaan van het belastbaar inkomen als bedoeld in de
Wet op de Inkomstenbelasting 1964. De in artikel 16e, vierde en vijfde lid, van
het Bijdragebesluit Zorg bedoelde uitzonderingssituaties doen zich in het geval
van appellant volgens gedaagde niet voor.

De Raad overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat met betrekking tot de in casu
verschuldigde eigen bijdrage uitgegaan moet worden van het peiljaar 1995. Voorts
is niet in geschil dat het gezamenlijke belastbaar inkomen van appellant en zijn
echtgenote in dat jaar meer dan f 61.000,-- bedroeg. Het geschil betreft
uitsluitend de vraag of gedaagde bij de vaststelling van het inkomen dat de
hoogte van de eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de AWBZ
bepaalt, mocht uitgaan van het belastbaar inkomen, bedoeld in de Wet op de
inkomstenbelasting 1964, of dat hij daarop het inkomen genoten ten titel van
verhoging als bedoeld in artikel 13 van de AAW en artikel 22 van de WAO in
mindering diende te brengen.

De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanleiding om aan
hetgeen imperatief bepaald is in artikel 16e, eerste en tweede lid, van het op
de AWBZ steunende Bijdragebesluit Zorg voorbij te gaan. Dit artikel schrijft het
uitvoeringsorgaan voor om het bijdrageplichtig inkomen, behoudens hier niet ter
zake doende uitzonderingen, vast te stellen overeenkomstig het belastbaar
inkomen als bedoeld in de Wet op inkomstenbelasting 1964.

De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Bijdragebesluit Zorg
in zoverre de toepassing daarvan inkomenseffecten kan hebben als namens
appellante aangevoerd, als zodanig strijdig moet worden gevonden met enige regel
van geschreven of ongeschreven recht. De Raad wijst er in dit verband op dat de
regering er blijkens de toelichting op artikel 16e van het Bijdragebesluit Zorg
welbewust voor gekozen heeft de maatstaf van het belastbaar inkomen in te voeren
en dat de onderlinge afstemming van diverse inkomensafhankelijke regelingen naar
haar oordeel nog nader dient te worden onderzocht. Hiervan uitgaande kan niet
worden gezegd dat de regering een regeling heeft vastgesteld die zij, in
aanmerking genomen de belangen die behoorden te worden meegewogen, in
redelijkheid niet heeft kunnen vaststellen. De Raad voegt hier nog aan toe dat
het nadeel dat appellant stelt te ondervinden tengevolge van het hanteren van
het begrip belastbaar inkomen, niet zozeer worden veroorzaakt door het hanteren
van dit begrip als zodanig, als wel door de omstandigheid dat het inkomen van
appellant de gestelde inkomensgrens in relatief geringe mate overschrijdt. Het
vaststellen van inkomensgrenzen kan de regelgever in een geval als het
onderhavige, waarin niet blijkt van strijd met enige regel van geschreven of
ongeschreven recht, echter niet worden ontzegd.

De Raad is voorts van oordeel dat zich in het onderhavige geval niet de
bijzondere situatie voordoet waarin de toepassing van een dwingendrechtelijk
wettelijk voorschrift zozeer in strijd komt met een algemeen beginsel van
behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel dat die toepassing om die reden
niet kan worden toegelaten. De enkele omstandigheid dat het Bijdragebesluit Zorg
ten aanzien van appellant inkomenseffecten heeft als namens appellant geschetst
acht de Raad onvoldoende om toepassing van artikel 16e van het Bijdragebesluit
Zorg ongeoorloofd te achten.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en
dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en
mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier, en uitgesproken in het openbaar
op 22 mei 2000.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AWBZ | AWBZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x