Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AD3824
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-07-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een correctienota over de periode in geding. Heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de correctienota en de betreffende brief niet kunnen worden aangemerkt als (appellabele) besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb?
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/3918 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 18 juni 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen een correctienota van 21 januari 1997 en het besluit van 28 november 1996, waarbij de bezwaren van appellant tegen het besluit van 30 september 1994 tot vaststelling van het loon in de jaren 1989 tot en met 1992 waarover hij alsnog premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten is verschuldigd, ongegrond zijn verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 7 juni 1999 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaren van 27 januari 1997, gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant en bepaald dat gedaagde het door appellant gestorte griffierecht vergoedt.

Namens appellant is mr. A.F.J.M. Mulders, advocaat te Echt, op bij aanvullend beroepschrift van 18 oktober 1999 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 24 januari 2000, ingediend. Daarbij is de Raad verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juni 2001, waar appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr. H.C.F. Bollen, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 30 september 1994 heeft gedaagde naar aanleiding van een door de Belastingdienst bij appellant gehouden boekenonderzoek vastgesteld dat appellant in de jaren 1989 tot en met 1992 meer loon heeft uitbetaald dan hij in zijn loonadministratie had verantwoord. Hierbij heeft gedaagde aangegeven over welke bedragen (hierna:
SV-lonen) hij alsnog premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten dient af te dragen.

Tegen dit besluit is namens appellant een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 28 november 1996 heeft gedaagde hierop beslist. Uit de bewoordingen waarin dit besluit is gesteld, leidt de Raad af dat hierbij vijf bezwaren van appellant ongegrond zijn verklaard, doch het bezwaar tegen de hoogte van de vastgestelde SV-lonen gegrond is verklaard, in zoverre dat er forse bijstellingen ten gunste van appellant dienen plaats te vinden.

Tegen het besluit van 28 november 1996 heeft appellant geen beroep ingesteld.

Bij brief van 6 januari 1997 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van de SV-lonen over de jaren 1989 tot en met 1992 waarover hij alsnog premies is verschuldigd.
De verschuldigde bedragen aan premies zijn vervolgens neergelegd in een nota van 21 januari 1997.

Tegen de vaststelling van de SV-lonen, vervat in de brief van 6 januari 1997, en de nota van 21 januari 1997 zijn namens appellant op 27 januari 1997 bezwaarschriften ingediend.

Bij het thans bestreden besluit heeft gedaagde de bezwaren van appellant van 27 januari 1997 gericht tegen de nota van 21 januari 1997 alsmede het besluit van 28 november 1996 ongegrond verklaard.

In eerste aanleg is er van de zijde van gedaagde op gewezen dat dit besluit een kennelijke misslag bevat, in die zin dat voor het besluit van 28 november 1996 dient te worden gelezen de brief van 6 januari 1997.

De rechtbank heeft gedaagde hierin niet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft bij dit besluit niet alleen een heroverweging plaatsgevonden van het gestelde in de brief van 6 januari 1997 en de nota van 21 januari 1997, maar tevens van het besluit van 28 november 1996. Nu tegen dit besluit geen bezwaarschrift kon worden ingediend en overigens ook niet is ingediend, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd omdat gedaagde niet bevoegd was het besluit van 28 november 1996 op basis van de bezwaarschriften van 27 januari 1997 te heroverwegen.

Vervolgens heeft de rechtbank zich gebogen over de vraag of de brief van 7 januari 1997 en de nota van 21 januari 1997 kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze vraag heeft de rechtbank ontkennend beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 6 januari 1997 slechts een specificatie van het besluit van 28 november 1996 en de nota van 21 januari 1997 slechts een factuur voortvloeiende uit dat besluit. De brief en de nota roepen geen zelfstandige rechtsgevolgen in het leven welke niet reeds door het besluit van 28 november 1996 in het leven waren geroepen. Op grond hiervan heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaren van 27 januari 1997.

In hoger beroep dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht de brief van 6 januari 1997 en de nota van 21 januari 1997 niet heeft aangemerkt als voor bezwaar vatbare besluiten.

Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Allereerst merkt de Raad op dat hij het niet aanvaardbaar acht dat bij een op bezwaarschrift genomen besluit, voorzover daarbij de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond zijn verklaard, belanghebbende(n) in het ongewisse wordt of worden gelaten omtrent de betekenis van die gegrondverklaring voor het besluit waartegen het bezwaarschrift was gericht. In dit geval heeft gedaagde verzuimd bij zijn besluit van 28 november 1996 aan te geven in hoeverre de bij besluit van 30 september 1994 vastgestelde SV-lonen in neerwaartse zin worden aangepast. Het slechts vermelden van forse bijstellingen kan niet worden aangemerkt als een adequate reactie op het bezwaarschrift. Nu evenwel het besluit van 28 november 1996 niet in geschil is en ook niet in geschil kan zijn, kan de Raad aan het hier overwogene met betrekking tot dit besluit zelf geen gevolgtrekkingen verbinden.

Wel volgt hieruit dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, aan de vaststelling van de SV-lonen over de jaren 1989 tot en met 1992, vervat in de brief van 6 januari 1997, wel zelfstandige betekenis toekomt. Deze vaststelling was immers nog niet gegeven bij het besluit van 28 november 1996. De vaststelling van de bedragen waarover (alsnog) premies dienen te worden afgedragen, is gelet op deze premieplicht een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Ook moet de nota van 21 januari 1997 worden aangemerkt als een besluit in deze zin en wel voor wat betreft de hoogte van de verschuldigde premies; niet voor wat betreft de daarbij vermelde SV-lonen, nu deze lonen zijn vastgesteld bij het besluit van 6 januari 1997.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak op onderdelen niet in stand kan worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet.

De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 710,-- voor verleende rechtsbijstand.

De Raad stelt tot slot vast vast dat het door appellant in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het bestreden besluit is vernietigd met betrekking tot de besluiten van 6 januari 1997 en 21 januari 1997, en voorzover daarbij appellant alsnog niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaren tegen deze besluiten;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Wijst het geding ter verdere behandeling terug naar de rechtbank te Roermond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot f 710,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 170,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2001.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.H. Vogt.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x