Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AD8576
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-12-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging, onder registratie van een derde verzuim, van een boete van 25% van de ambtshalve vastgestelde premies wegens het niet voldoen aan de verplichting om binnen drie maanden melding te maken van een wijziging van de loonsom met meer dan 5% en meer dan f 5000,- ten opzichte van het loonbedrag waarop de voorschotnota over het jaar 1998 was gebaseerd.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 00/5348 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[X.] B.V., gevestigd te [Y.], appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 15 december 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 19 oktober 1999, inhoudende de oplegging van een boete van 25% van de ambtshalve vastgestelde premies, wegens het niet voldoen aan de verplichting om binnen drie maanden melding te maken van een relevante wijziging van de loonsom in 1998 onder registratie van een derde verzuim.

De Arrondissementsrechtbank Almelo heeft het namens appellante ingestelde beroep bij uitspraak van 11 september 2000 ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. A.J.R. Oude Middendorp, juridisch medewerker bij Meiborg advocatenkantoor te Almelo, op bij aanvullend beroepschrift van 16 november 2000 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde is bij schrijven van 22 december 2000 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 november 2001, waar voor appellante is verschenen mr. Oude Middendorp, voornoemd, [A.], eigenaar van appellante en [B.], administrateur van appellante. Gedaagde heeft zich bij deze gelegenheid laten vertegenwoordigen door mr. P.L.M. Schutz, werkzaam bij GAK Nederland B.V.




II. MOTIVERING


Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen de registratie van een derde administratief verzuim en het opleggen van een administratieve boete terzake van het niet tijdig melden van de wijziging van de loonsom met meer dan 5% en meer dan f 5.000,--, ten opzichte van het loonbedrag waarop de voorschotnota over het jaar 1998 was gebaseerd, ongegrond verklaard.

Ter zitting van de Raad is onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 20 april 2000, USZ 2000/157, door gedaagde het standpunt ingenomen dat op grond van artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten het bestreden besluit, wat de hoogte van de boete betreft, in het licht van het per 1 januari 2001 geldende Boetebesluit werkgevers Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering van 29 mei 2000, Stb. 247 (hierna: het Boetebesluit) alsmede het Besluit toepassing bestuurlijke boeten Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering van 1 november 2000, Stcrt. 2000, 221 (hierna: het Toepassingsbesluit), niet langer wordt gehandhaafd en is de Raad verzocht de boete vast te stellen op 5% van de ambtshalve vastgestelde premie.

Namens appellante is ter zitting van de Raad het standpunt gehandhaafd dat in het onderhavige geval geen sprake zou zijn van een derde verzuim en derhalve geen grond zou bestaan voor het opleggen van een boete van 5% van de ambtshalve vastgestelde premie, daar de boete over het premiejaar 1993 niet valt binnen de recidivetermijn.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op zijn inmiddels vaste jurisprudentie dient in een geval als het onderhavige te worden getoetst aan de meest gunstige regeling.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Boetebesluit dient de vraag of sprake is van een recidiverende werkgever te worden beantwoord aan de hand van een periode van vijf jaar sedert het einde van het kalenderjaar waarin, op grond van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering, een boete is opgelegd. Blijkens de Nota van Toelichting bij het Boetebesluit kan artikel 5, eerste lid, van het Boetebesluit naar het oordeel van de Raad niet anders worden uitgelegd dan dat hier de systematiek wordt gehanteerd, waarbij wordt aangehaakt bij het moment waarop de eerdere boete is opgelegd.

De Raad is derhalve van oordeel dat bij beoordeling van de mate van recidive van appellante bij de in 1999 over het jaar 1998 opgelegde boete de in de periode van 1994 tot en met 1999 opgelegde boeten van belang zijn. In 1994 is over het jaar 1993 slechts een verzuim geregistreerd. Anders dan bij de toepassing van de Regeling Administratieve Boeten Co÷rdinatiewet van 28 december 1987, Stcrt. 1987, 252, laatstelijk gewijzigd bij Regeling van 25 februari 1997, Stcrt. 1997, 41, is bij de toepassing van artikel 5, eerste lid, van het Boetebesluit het in 1994 over het jaar 1993 geregistreerde verzuim niet relevant voor de mate van recidive van appellante bij de oplegging van de boete in het jaar 1999. Er werd in immers geen boete opgelegd.
Volgens de Raad start de in artikel 5, eerste lid, van het Boetebesluit bedoelde periode van vijf jaar in het onderhavige geval in 1998, zijnde het moment waarop de boete over het jaar 1996 werd opgelegd.

Aangezien ingevolge artikel 5 van het Boetebesluit in het onderhavige geval sprake is van een tweede verzuim, kan de Raad niet voldoen aan het verzoek van gedaagde om de boete vast te stellen op 5% van de ambtshalve vastgestelde premie. Immers, ingevolge het in artikel 17 van het Toepassingsbesluit opgenomen schema, dient bij een tweede verzuim zonder dat sprake is van opzet of grove schuld een boete van 3% van de ambtshalve vastgestelde premie met een maximum van f 3.000,-- te worden opgelegd.

Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de Raad onder vernietiging van het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het bedrag van de boete bepaalt op f 1.462,77.

De Raad acht termen aanwezig op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg, begroot op f 1.420,--, en in de kosten van het geding in hoger beroep eveneens op f 1.420,--.

Tevens dient gedaagde aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht, ten bedrage van f 450,-- respectievelijk f 675,--, te vergoeden.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Bepaalt de hoogte van de boete op een bedrag van f 1.462,77;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg en in hoger beroep, ten bedrage van f 2.840,--;
Bepaalt dat het Lisv aan appellante het gestorte griffierecht van in totaal f 1.125,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2001.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x