Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AE2442
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-03-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is het betrokken bedrijf ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten premies verschuldigd ter zake van betalingen aan Amerikaanse F16-monteurs? Verzoek om vergoeding van schade, bestaande uit wettelijke rente over de betaalde premies en gemaakte kosten in bezwaar en beroep, alsmede schade geleden tengevolge van gederfde winst en omzet, waaronder begrepen nodeloos gemaakte huisvestingskosten en kosten voor de huur van auto's ten behoeve van Amerikaanse F16-monteurs.
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/2379 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[X.] B.V., gevestigd te [adres], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 22 mei 1997 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen het besluit van 16 september 1996 ongegrond verklaard, voorzover bij dat besluit is bepaald dat appellante ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten premies is verschuldigd ter zake van betalingen aan Amerikaanse F16-monteurs.

De Rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 20 mei 1998 het tegen dat besluit namens appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de bezwaren van appellante tegen het besluit van 16 september 1996 alsnog gegrond verklaard en dat besluit herroepen, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellante ten bedrage van f 1.420,--, gelast dat gedaagde het door appellante betaalde griffierecht vergoedt, het onderzoek heropend ter voorbereiding van een uitspraak omtrent de (omvang van de) door appellante gestelde schade en appellante in de gelegenheid gesteld zich, binnen zes weken na verzending van deze uitspraak, nader uit te laten over haar verzoek om vergoeding van geleden schade.

Van deze uitspraak zijn partijen niet in hoger beroep gekomen.

De Rechtbank Breda heeft vervolgens bij uitspraak van 26 maart 1999 gedaagde veroordeeld tot betaling aan appellante van de in deze uitspraak omschreven wettelijke rente en hetgeen meer of anders is gevorderd, afgewezen.

Appellante is bij gemachtigde mr. M.P.J. Letschert, advocaat te Tilburg, van de uitspraak van 26 maart 1999 op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 25 november 1999 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 17 januari 2000, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 april 2001, waar voor appellante zijn verschenen haar directeur [B.] en mr. Letschert, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen mr. M.P. Romijn, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd hebben partijen bij brieven van 26 februari 2002, onderscheidenlijk 27 februari 2002 toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




II. MOTIVERING


Aan de hiervoor vermelde uitspraak van 20 mei 1998 ontleent de Raad het volgende.

Appellante is blijkens het Handelsregister sedert 21 januari 1994 werkzaam en heeft als bedrijfsomschrijving: het op projectbasis verlenen van technische diensten en logistieke ondersteuning in de industriŽle sfeer alsmede de handel in materialen ten behoeve daarvan. Bestuurders van appellante zijn de persoonlijke vennootschappen van [A.] en [B.].
[V.] (hierna: [V.]) is een Amerikaanse onderneming werkzaam sedert 1 januari 1995 en gevestigd te Ogden in de staat Utah. De heren [C.] en [D.] zijn elk directeur van [V.] en bezitten samen 50% van de aandelen van [V.].
[V.] heeft met de Koninklijke Luchtmacht (hierna: Klu) een overeenkomst gesloten, ingaande 1 januari 1995, strekkende tot het verzorgen van het onderhoud van op enkele vliegbases in Nederland gestationeerde F16-vliegtuigen. Daartoe worden met name in de Verenigde Staten van Amerika technici geworven, die vervolgens worden uitgezonden naar Nederland. Het geworven personeel sluit een arbeidsovereenkomst met [V.] en is op detacheringsbasis werkzaam bij de Klu.
Appellante treedt in Nederland op als agent van [V.] en verzorgt namens [V.] onder meer de praktische uitvoering van het contract met de Klu, waaronder begrepen de logistieke ondersteuning en de behartiging van (andere) praktische zaken van de Amerikaanse werknemers van [V.].
De inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen te Tilburg heeft op 24 februari 1995 besloten [V.] voor de heffing van de loonbelasting/premies volksverzekeringen ten aanzien van personen die zij in Nederland in dienst heeft met ingang van 1 januari 1995 aan te wijzen als inhoudingsplichtige, onder de voorwaarde dat ten aanzien van die personen de loonboekhouding wordt gehouden ten kantore van appellante.
Op 28 juli 1995 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) aan appellante bericht dat de SVB akkoord is gegaan met het aangaan van een overeenkomst met het Department of Health & Human Services te Baltimore, ertoe strekkende dat 13 werknemers van [V.] gedurende hun verblijf in Nederland onder de Amerikaanse sociale wetgeving blijven vallen. De akkoordverklaring ziet op 1995, met de mogelijkheid van verlenging met 1996. Uit een bij deze brief gevoegde rapportage blijkt dat voorts rekening is gehouden met een groep andere, op basis van een detacheringsverklaring, vanaf 1 januari 1995 in Nederland voor de Klu werkzame Amerikaanse werknemers.

Bij besluit van 16 september 1996 heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat appellante premies verschuldigd is ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten over de aan de hier te lande werkzame Amerikaanse F16-monteurs verrichte betalingen. Dit standpunt heeft gedaagde na gemaakt bezwaar van de zijde van appellante
gehandhaafd bij besluit van 22 mei 1997.

Bij haar uitspraak van 20 mei 1998 heeft de rechtbank laatstvermeld besluit getoetst aan het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 8 december 1987 en het daarbij behorende Administratief Akkoord voor de toepassing van het Verdrag. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de aanname van gedaagde dat de betrokken Amerikaanse werknemers verplicht verzekerd zijn op grond van de Nederlandse sociale werknemersverzekeringswetten en deswege appellante op grond van deze wetten gehouden is premies in te houden, in strijd moet worden geacht met het Verdrag en het daarbij behorende Administratief Akkoord. Vervolgens heeft de rechtbank bij deze uitspraak beslist, zoals hiervoor in rubriek I is aangegeven.

De door appellante aangevallen uitspraak van de rechtbank van 26 maart 1999 ziet op het door appellante in beroep tegen het besluit van 22 mei 1997 gedane verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb. Appelante had verzocht om vergoeding van schade, bestaande uit wettelijke rente over door haar betaalde premies en door haar gemaakte kosten in bezwaar en beroep, alsmede schade geleden ten gevolge van gederfde winst en omzet, waaronder begrepen nodeloos gemaakte huisvestingskosten en kosten voor de huur van auto's ten behoeve van Amerikaanse F16-monteurs.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank uitsluitend het verzoek om gedaagde te veroordelen in de betaling van de wettelijke rente over de door appellante betaalde premiebedragen gehonoreerd. Voor het overige heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Omtrent de geclaimde kosten van het beroep heeft de rechtbank overwogen dat de regeling, vervat in artikel 8:75 van de Awb in samenhang met het Besluit proceskosten bestuursrecht, een exclusief en forfaitair karakter draagt en deswege proceskosten die verband houden met de behandeling van het beroep en die de bij de uitspraak van 20 mei 1998 toegekende vergoeding te boven gaan, niet op basis van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

Inzake de kosten gemaakt in bezwaar heeft de rechtbank overwogen dat van schadeplichtigheid eerst sprake kan zijn indien gedaagde het primaire besluit op uiterst onzorgvuldige wijze, casu quo "tegen beter weten in" heeft genomen. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest. Het betreft hier een interpretatie van een verdrag, waarbij niet kan worden geoordeeld dat gedaagdes standpunt daarover zodanig onjuist was dat gesproken kan worden van uiterst onzorgvuldig handelen of van een handelen "tegen beter weten in".

Met betrekking tot de gestelde schade bestaande uit gederfde omzet en winst, alsmede nodeloos gemaakte kosten, welke schade naar de mening van appellante is veroorzaakt doordat het besluit van gedaagde van 22 mei 1997 en het daarbij gehandhaafde besluit van 16 september 1996 hebben meegebracht dat de Klu nog slechts een minimale inzet van Amerikaanse F16-monteurs wenste, heeft de rechtbank overwogen dat het voor het aannemen van schadeplichtigheid vereiste causaal verband tussen de onrechtmatig genomen besluiten en de door appellante gestelde schade ontbreekt. De gestelde schade is naar het oordeel van de rechtbank veroorzaakt doordat de Klu in afwijking van de met [V.] gesloten contracten al dan niet in overleg en/of samenspraak met [V.] heeft willen afzien van Amerikaanse monteurs in de urenomvang die was afgesproken. De noodzaak van een dergelijke handelwijze in afwijking van de gesloten contracten en met mogelijk nadeel voor [V.] en voor appellante is onvoldoende onderbouwd. Appellante heeft niet aannemelijk kunnen maken dat budgetterings-, casu quo begrotingsperikelen bij de Klu ertoe hebben geleid dat de Klu tot een geringere inzet dan de afgesproken arbeidsinzet van Amerikaanse monteurs heeft kunnen besluiten. De rechtbank heeft het betoog van appellante dat de Klu uit de ingenomen standpunten en besluiten van gedaagde de indruk zou hebben gekregen dat appellante het niet zo nauw zou nemen met de van toepassing zijnde regelgeving, als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Ook met betrekking tot de door appellante gestelde omstandigheid dat het als gevolg van de besluiten van gedaagde moeilijker zou zijn geworden om Amerikaanse monteurs te werven, heeft de rechtbank geoordeeld dat zulks onvoldoende is onderbouwd.

Appellante kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank omtrent de door haar geclaimde kosten gemaakt in bezwaar en het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de door haar geleden schade bestaande uit gederfde winst en omzet.

Met betrekking tot de in bezwaar gemaakte kosten heeft appellante aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het in dit geval niet slechts gaat om een verschil van inzicht omtrent de interpretatie van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika en het daarbij behorende Administratief Akkoord. In haar visie kon gedaagde weten dat met de afgifte van de detacheringsverklaringen was gegeven dat de Amerikaanse F16-monteurs niet ingevolge de Nederlandse sociale werknemersverzekeringswetten verplicht verzekerd waren. In ieder geval acht appellante het uiterst onzorgvuldig dat gedaagde geen navraag heeft gedaan over de bewijskracht van de detacheringsverklaringen bij de Belastingdienst en in het bijzonder bij de SVB.

Met betrekking tot de gederfde omzet en winst heeft appellante erop gewezen dat zij ten gevolge van de besluiten van gedaagde van 16 september 1996 en 22 mei 1997 werd geconfronteerd met premienota's over de jaren 1995 tot en met augustus 1998 ten bedrage van f 600.000,--. Bij de vaststelling van de vergoeding die zij ontving van [V.] voor de logistieke ondersteuning van de F16-monteurs was hiermede - naar uit de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 1998 blijkt terecht - geen rekening gehouden. Aangezien appellante als jonge onderneming niet over de financiŽle reserves beschikte om deze nota's te voldoen dreigde voor de Klu een aansprakelijkstelling op grond van artikel 16a van de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Dat de Klu vervolgens besloot tot een minimale inzet van Amerikaanse F16-monteurs is dan ook in de visie van appellante niet alleen alleszins begrijpelijk, maar ook een direct gevolg van de onrechtmatige besluitvorming van gedaagde. Ten bewijze hiervan heeft appellante een brief van 1 oktober 1999 overgelegd van het Hoofd Sectie Verwerving Jachtvliegtuigen, Directie Materieel, Afdeling Jachtvliegtuigen, van de Klu. Appellante heeft voorts in hoger beroep herhaald hetgeen zij in eerste aanleg heeft gesteld omtrent de indruk die de Klu kreeg van appellante inzake de naleving van de van toepassing zijnde regelgeving, alsmede de afwachtende houding van potentiŽle F16-monteurs om hier te lande te worden gedetacheerd.

Gedaagde van zijn kant heeft omtrent de in bezwaar gemaakte kosten gesteld dat hij kon menen dat een juiste toepassing was gegeven aan de hier aan de orde zijnde verdragsbepalingen. Gedaagde erkent dat hij niet zorgvuldig heeft gehandeld doordat hij niet in overleg is getreden met het bevoegde orgaan, om welke reden hij heeft berust in de uitspraak van 20 mei 1998, doch zulks betekent naar zijn mening nog niet dat de vaststelling van de verzekerings- en premieplicht tegen beter weten in is genomen.
Met betrekking tot de gederfde omzet en winst heeft gedaagde onder verwijzing naar 's Raads uitspraken van 7 april 1999, RSV 1999/ 257 en 258, gesteld dat de gestelde schade gelet op de aard van de aansprakelijkheid en van de schade niet kan worden toegerekend aan zijn besluiten van 16 september 1996 en 22 mei 1997. Naar de mening is de schade veroorzaakt doordat contractspartijen de door hen gesloten contracten gedeeltelijk niet zijn nagekomen. Deze omstandigheid ligt buiten de werkings- en bevoegdheidssfeer van gedaagde.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Omtrent de geclaimde kosten gemaakt in bezwaar volgt de Raad het oordeel van de rechtbank en het standpunt van gedaagde. Vooropgesteld dat gemaakte kosten in een bestuurlijke voorprocedure in beginsel voor rekening van betrokkene komen, ziet de Raad te dezen geen grond voor het oordeel dat de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken heeft vertoond dat moet worden vastgesteld dat gedaagde tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen. De omstandigheid dat, gegeven de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 1998, gedaagde aan de detacheringsverklaringen niet die betekenis heeft toegekend die hij daaraan had moeten toekennen, betekent nog niet dat gedaagde zijn besluit van 16 september 1996 tegen beter weten in heeft genomen. Niet kan worden staande gehouden dat gedaagde wist, althans behoorde te weten dat hij niet tot dit besluit kon komen. De omstandigheid dat, naar gedaagde zelf heeft erkend, hij in overleg had moeten treden met de SVB, maakt dit niet anders. Hiermee is slechts een gebrekkige besluitvorming gegeven, doch niet in een mate als vorenbedoeld.

Met betrekking tot de schade bestaande uit gederfde omzet en winst, waaronder begrepen nodeloos gemaakte kosten, merkt de Raad op dat naar vaste jurisprudentie bij de beoordeling van een verzoek om veroordeling tot vergoeding van geleden schade als gevolg van een vernietigd besluit zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Daarbij geldt dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de aangesprokene berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van die gebeurtenis kan worden toegerekend. In het kader van de toepassing van artikel 8:73 van de Awb betekent dit dat wil een verzoek om schadevergoeding voor inwilliging in aanmerking komen de gestelde schade in zodanig verband moet staan met het vernietigde besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden, acht de Raad ook de aard en de strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.

Vastgesteld moet worden dat de Klu met [V.] had gecontracteerd over de inzet van Amerikaanse F16-monteurs hier te lande en daarnaast appellante met [V.] had gecontracteerd over de logistieke ondersteuning van deze monteurs. De schade die appellante stelt te hebben geleden, is een uitvloeisel van de wijze waarop de Klu en [V.] hun (contractuele) relatie naar aanleiding van de besluitvorming van gedaagde nader hebben ingevuld. Dat deze nadere invulling een voorzienbaar en onontkoombaar gevolg was van deze besluitvorming, acht de Raad met de rechtbank door appellante niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat er geen grond aanwezig is om de gestelde schade toe te rekenen aan de onrechtmatig genomen besluiten. Hieraan kan niet afdoen dat de reactie van de Klu op het door gedaagde ingenomen standpunt omtrent de verzekeringsplicht van de monteurs in het licht van artikel 16a van de CSV zeer wel voorstelbaar is. Ook hetgeen van de zijde van appellante overigens is aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat de door haar geleden schade moet worden toegerekend aan het besluit van 22 mei 1997.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en deswege de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.H. Vogt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2002.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.H. Vogt.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x