Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AE6035
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-06-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Aansprakelijkstelling op grond van artikel 16c, eerste lid, onderdeel c, van de CSV van betrokkene voor de onbetaald gelaten premies over 1996 van de betreffende twee VOF's. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de aansprakelijkheid van de bestuurder als bedoeld in artikel 16c, eerste lid, onderdeel c, van de CSV uitsluitend betrekking kan hebben op de premieschulden die zijn ontstaan tijdens de periode dat hij bestuurder was. Voor premieschulden die voordien zijn ontstaan, kan degene aansprakelijk worden gesteld die in die periode als bestuurder optrad.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/2611 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 28 oktober 1998 is ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juli 1998, waarbij appellant op grond van artikel 16c, eerste lid onder c, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gelaten premies over 1996 van de VOF [bedrijfsnaam 1] en van de VOF [bedrijfsnaam 2]. Voorts is appellant onder toepassing van artikel 16c, eerste lid onder c, van de CSV aansprakelijk gesteld voor de door gedaagde ingevolge hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) betaalde uitkeringen. De aansprakelijkstelling ziet op een bedrag van in totaal f 51.330,16.

Namens appellant is tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Rechtbank Alkmaar.

Op 9 november 1998 heeft gedaagde een nieuw besluit afgegeven, waarbij het besluit van 28 oktober 1998 in zoverre is herzien dat de aansprakelijkstelling voor de onder toepassing van hoofdstuk IV van de WW betaalde uitkeringen is vervallen en het bedrag van de aansprakelijkstelling is verlaagd tot f 16.467,08. Voor het overige is het besluit van 28 oktober 1998 gehandhaafd.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 28 oktober 1998 ingestelde beroep onder toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 9 november 1998.

Bij uitspraak van 20 maart 2000 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 oktober 1998 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Mr. M.C.A. Stoop, advocaat te Heerhugowaard, heeft namens appellant tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 26 juli 2000, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Stoop, voornoemd. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P. Romijn, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gelaten premies over 1996 van zowel de VOF [bedrijfsnaam 1] ten bedrage van f 14.354,- als van de VOF [bedrijfsnaam 2] ten bedrage van f 2.113,08. De aansprakelijkheid voor de premieschuld van de VOF [bedrijfsnaam 2] is door appellant erkend, zodat in dit geding uitsluitend de aansprakelijkheid voor de premieschuld van de VOF [bedrijfsnaam 1] (verder: de VOF) dient te worden beoordeeld.

Tegen de aansprakelijkstelling voor de premieschuld over 1996 van de VOF is namens appellant aangevoerd dat hij eerst met ingang van 19 september 1996 bestuurder is geworden van de VOF. Appellant stelt zich op het standpunt dat de aansprakelijkstelling derhalve beperkt dient te blijven tot de periode vanaf 19 september 1996.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat een bestuurder als bedoeld in artikel 16c, eerste lid onder c, van de CSV eveneens aansprakelijk is voor de bij zijn aantreden als bestuurder reeds bestaande premieschulden. Gedaagde heeft daartoe verwezen naar de memorie van toelichting bij artikel 16d van de CSV, waarin uitdrukkelijk is vermeld dat een bestuurder ook aansprakelijk is voor de bij zijn aantreden reeds bestaande premieschulden. Gedaagde ziet geen aanleiding om de bestuurder als bedoeld in artikel 16d van de CSV wel aan te spreken voor reeds bestaande premieschulden en de bestuurder als bedoeld in artikel 16c van de CSV niet.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolgde artikel 16c, eerste lid onder c, van de CSV is ieder van de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie die zijn verschuldigd door een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid of door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is.

Niet in geschil is dat de VOF over het jaar 1996 een premieschuld heeft van f 14.354,- en evenmin dat appellant eerst op 19 september 1996 bestuurder van de VOF is geworden. Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of appellant onder toepassing van artikel 16c, eerste lid onder c, van de CSV aansprakelijk kan worden gesteld voor de premieschuld die is ontstaan vˇˇr zijn aantreden als bestuurder op 19 september 1996.

De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende. Noch de tekst van artikel 16c, eerste lid onder c, van de CSV, noch de toelichting op deze bepaling geven uitsluitsel omtrent de vraag of een bestuurder in de zin van artikel 16c van de CSV aansprakelijk kan worden gesteld voor de bij zijn aantreden reeds bestaande premieschuld. Anders dan gedaagde ziet de Raad in deze omstandigheid echter onvoldoende aanknopingspunten om voor de vaststelling van de reikwijdte van de aansprakelijkheid aansluiting te zoeken bij hetgeen hieromtrent is opgemerkt in de toelichting bij artikel 16d van de CSV. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de opzet van de bestuurdersaansprakelijkheid ingevolge artikel 16d van de CSV wezenlijk verschilt van de opzet van de bestuurdersaansprakelijkheid ingevolge artikel 16c van de CSV. De Raad heeft daarbij in het bijzonder het oog op het ontbreken van een disculpatiemogelijkheid in artikel 16c van de CSV. Indien een bestuurder in de zin van artikel 16d van de CSV aansprakelijk wordt gesteld voor premieschulden die zijn ontstaan vˇˇr zijn aantreden zal zijn beroep op disculpatie over het algemeen gemakkelijk slagen, aldus de Memorie van Toelichting. Hij zal derhalve eenvoudig aan zijn aansprakelijkheid kunnen ontkomen. Een bestuurder in de zin van artikel 16c van de CSV die aansprakelijk zou worden gehouden voor de bij zijn aantreden reeds bestaande premieschuld, zou daarentegen nooit aan aansprakelijkheid kunnen ontkomen, aangezien hij nu eenmaal geen disculpatiemogelijkheid heeft. Naar het oordeel van de Raad kan dit verschil in de omvang van de aansprakelijkheid niet worden gerechtvaardigd op basis van de verschillen die er bestaan tussen de beide typen bestuurders. Een redelijke wetstoepassing brengt derhalve mee dat de aansprakelijkheid van de bestuurder als bedoeld in artikel 16c, eerste lid onder c, van de CSV uitsluitend betrekking kan hebben op de premieschulden die zijn ontstaan tijdens de periode dat hij bestuurder was. Voor premieschulden die voordien zijn ontstaan kan degene aansprakelijk worden gesteld die in die periode als bestuurder optrad.

Gelet op bovenstaande overwegingen kan het bestreden besluit van 9 november 1998, voor zover daarbij is gehandhaafd de vˇˇr 19 september 1996 ontstane premieschuld van de VOF [bedrijfsnaam 1], geen stand houden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ç 1.288,-.

De Raad stelt tot slot vast dat het door appellant in beroep en in hoger beroep gestorte griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 9 november 1998 alsnog gegrond;
Vernietigt dit besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot Ç 1.288,- te betalen door het Uwv;
Verstaat dat het Uwv aan appellant het gestorte recht van Ç 102,12 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2002.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x