Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AF3210
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-11-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een correctie- en boetenota over het jaar 1995. Alsnog niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat betrokkene geen bezwaar heeft gemaakt tegen het boetebesluit. Gelet op de op betrokkene rustende plicht om te voldoen aan het bepaalde in de Wet op de identificatieplicht (WID) (betrokkene heeft eerst tijdens de bezwaarfase aan het bepaalde ingevolge de WID voldaan), kan niet worden gezegd dat het besluit in primo tegen beter weten in is genomen, zodat het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar dient te worden afgewezen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/4882 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], voorheen handelend onder de naam [bedrijfsnaam], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is, mr. B.J.G.L. Jaeger, advocaat-belastingkundige te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 20 oktober 2000 (met bijlagen) aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank 's-Gravenhage onder dagtekening 17 juli 2000 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is bij brief van 22 augustus 2002 een verweerschrift (met bijlage) ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 oktober 2002, waar namens appellant is verschenen, mr. Jaeger, voornoemd. Gedaagde heeft zich - zoals te voren schriftelijk is aangekondigd - niet doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft van 7 juni 1995 tot en met 24 november 1995 als werkgever ingeschreven gestaan als lid van de voormalige Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven.
Appellant heeft in verband met de uitschrijving bij gedaagde een verzoek ingediend tot deblokkering van het WKA-tegoed. Naar aanleiding van dit verzoek heeft gedaagde bij appellant een eindcontrole ingesteld. In dit onderzoek is door gedaagde een verschil geconstateerd tussen de omzeturen en de loonuren van 730,5 uren. Gedaagde heeft vervolgens bij brief van 12 augustus 1997 appellant medegedeeld dat wegens vorengenoemd verschil niet tot deblokkering zal worden overgegaan.
Bij brief van 23 september 1997 heeft gedaagde appellant ervan in kennis gesteld dat over het jaar 1995 een correctienota zal worden opgelegd. Appellant is hierbij gewezen op de bezwaarclausule. Voorts heeft gedaagde medegedeeld van oordeel te zijn dat appellant een verzuim heeft gepleegd als bedoeld in de regeling van 28 december 1987 Administratieve Boeten Coördinatiewet en derhalve voornemens te zijn een boete op te leggen. Gedaagde heeft in deze brief aangegeven dat, alvorens hij tot het daadwerkelijk opleggen van een boete overgaat, appellant in de gelegenheid wordt gesteld zijn visie hieromtrent weer te geven.
Bij brief van 14 oktober 1997 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen de brief van 23 september 1997, zowel wat betreft de correctienota als de nog op te leggen boete.
Blijkens de nota met factuurdatum 15 oktober 1997 bedroeg de totale vordering over 1995 f 37.039,65, waarvan ontvangen was f 16.673,30, zodat resteert een bedrag van f 20.366,35.
Namens appellant is aan gedaagde bij brief van 9 december 1997 een kopie van het identiteitsbewijs ingevolge de Wet op de identificatieplicht (WID) van één van de werknemer van appellant gezonden.
Bij brief van 10 december 1997 heeft gedaagde appellant, onder vermelding van een bezwaarclausule, medegedeeld dat over het jaar 1995 een administratieve boete wordt opgelegd ten bedrage van f 1.482,34.

Bij brief van 7 januari 1998 is namens appellant verzocht om toezending van de onderliggende stukken. Bij brief van 18 februari 1998 is namens appellant een uiteenzetting gegeven betreffende het verschil tussen de omzet- en loonuren.

In een rapport van 3 augustus 1998 heeft looninspecteur Gerts, met betrekking tot bovenstaand verschil een reactie gegeven.

Nadat een hoorzitting is gehouden op 3 februari 1999 heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 27 april 1999 de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

Bij aangevallen uitspraak is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

In hoger beroep zijn tegen de aangevallen uitspraak namens appellant de volgende grieven aangevoerd.
Ten onrechte gaat de rechtbank er van uit dat de correctienota van de aanvang af f 5.929,39 heeft bedragen. Aangevoerd wordt dat gedaagde een correctienota ten bedrage van f 20.366,35 aan appellant heeft toegezonden waartegen bezwaar is gemaakt. In verband met het overleggen van een identiteitsbewijs op grond van Wet op de identificatieplicht door appellant, is door gedaagde een premiecorrectie doorgevoerd hetgeen resulteerde in een premienota van f 5.929,39. Gelet op het feit dat gedaagde op dit onderdeel zijn primaire standpunt in het besluit op bezwaar van 27 april 1999 niet heeft gehandhaafd, had gedaagde het bezwaar van appellant hiertegen gegrond dienen te verklaren.
Vervolgens wordt namens appellant naar voren gebracht dat gedaagde ten onrechte de weken waarin arbeidstekorten zijn geconstateerd, niet heeft gecompenseerd met de weken waarin een overschot heeft plaatsgevonden. Ter ondersteuning van dit standpunt wijst de gemachtigde van appellant op een ongepubliceerde uitspraak van deze Raad van 23 oktober 1998, 97/3653 CSV.
Vervolgens worden namens appellant grieven aangevoerd tegen de boeteoplegging.
Tenslotte wordt naast de vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit verzocht om een veroordeling in de kosten van rechtskundige bijstand zowel in de beroepsprocedure als ook in de bezwaarprocedure.

Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Met betrekking tot de eerste grief overweegt de Raad dat de correctienota over het jaar 1995 die aan de brief van 23 september 1997 ten grondslag heeft gelegen, een bedrag van f 20.366,35 inhield. Deze correctienota dient als primair besluit te worden aangemerkt. Nadat appellant alsnog een identiteitsbewijs in het kader van de WID aan gedaagde had overgelegd, is gedaagde van dit primaire standpunt teruggekomen en heeft vervolgens bij het bestreden besluit vastgesteld dat er nog premie van f. 5.929,39 resteert. Gedaagde had gelet op het vorenstaande reeds om die reden het bezwaar van appellant betreffende dit geschilpunt gegrond dienen te verklaren in zoverre het premiebedrag is teruggebracht tot f 5.929,39.

Nu zowel gedaagde als de rechtbank hiertoe niet zijn overgegaan, dienen de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit in zoverre vernietigd te worden. De eerste grief treft derhalve doel.

Ten aanzien van de namens appellant aangevoerde grief dat de arbeidstekorten mede onder verwijzing naar 's Raads uitspraak van 23 oktober 1998, 97/3653 CSV, gecompenseerd hadden dienen te worden met de in andere weken bestaande arbeidsoverschotten, is de Raad van oordeel dat deze grief dient te falen. Blijkens het bestreden besluit is gedaagde van mening dat gelet op de bevindingen van gedaagdes looninspecteur naar aanleiding van de eindcontrole, er geen reden is om arbeidsoverschotten toe te rekenen aan weken waarin een arbeidstekort is geconstateerd. Alsdan ligt het naar 's Raads oordeel op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat er concrete aanknopingspunten zijn die een compensatie als bedoeld in vorenvermelde uitspraak, rechtvaardigen. Appellant is gelet op de namens hem aangevoerde niet onderbouwde stellingen hieromtrent, hierin niet geslaagd noch is hij er in geslaagd een verklaring te geven voor de door de looninspecteur geconstateerde verschillen.

Voor wat betreft appellants grieven tegen het opleggen van een boete, overweegt de Raad het volgende.
Bij brief van 23 september 1997 is door gedaagde onder meer aan appellant medegedeeld dat gedaagde voornemens was een boete op te leggen. Alvorens tot oplegging over te gaan heeft gedaagde aan appellant hieromtrent een reactie gevraagd. Bij brief van 14 oktober 1997 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen de correctienota alsmede de administratieve boete. Bij brief van 9 december 1997 is van de zijde van appellant aan gedaagde een kopie van het identiteitsbewijs van één van appellants werknemers toegezonden. Eerst bij brief van 10 december 1997 heeft gedaagde daadwerkelijk een boete opgelegd van f 1.482,34. Vervolgens is namens appellant bij brief van 7 januari 1998, refererend aan de brief van 14 oktober 1997, verzocht om toezending van de stukken.

De Raad is op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde brieven van oordeel dat noch met de brief van 14 oktober 1997 noch met de brief van 7 januari 1998 bezwaar is gemaakt tegen het boetebesluit van 10 december 1997. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant ook ter zitting van de Raad niet kunnen aangeven met welke brief namens appellant bezwaar is gemaakt tegen het boetebesluit van 10 december 1997. De Raad concludeert op grond hiervan dat zijdens appellant geen bezwaar is gemaakt tegen voornoemd boetebesluit. Ook ingevolge artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan appellant met zijn brief van 14 oktober 1997 niet worden ontvangen in bezwaar aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, onder a en b van de Awb. Gelet op het vorenstaande dient appellant in zijn bezwaar tegen het besluit van 10 december 1997 alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb zal de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit gedeeltelijk in stand laten voor zover het de hoogte van de premiecorrectie betreft.

Aangaande appellants grief inzake een proceskostenveroordeling in de bezwaar - alsmede de beroepsprocedure - overweegt de Raad het volgende.
Gelet op artikel III Overgangsbepaling bij de wet kosten bestuurlijke voorprocedures, blijft artikel 8:75 van de Awb, zoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing, indien het besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is genomen.
Vooropgesteld dat gemaakte kosten in een bestuurlijk voorprocedure in beginsel voor rekening van de betrokkene komen, ziet de Raad te dezen geen grond voor het oordeel dat de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken heeft vertoond dat moet worden vastgesteld dat gedaagde tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen. In het onderhavige geval moet worden geconstateerd dat gedaagde, omdat appellant eerst tijdens de bezwaarfase aan het bepaalde ingevolge de WID heeft voldaan, zijn primair standpunt heeft moeten bijstellen hetgeen blijkens het besluit op bezwaar heeft geresulteerd in een lagere premiecorrectie dan waartoe bij het besluit in primo was gekomen. Gelet op de op appellant rustende plicht om te voldoen aan het bepaalde in de WID, kan naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden dat het besluit in primo tegen beter weten in is genomen, zodat het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar dient te worden afgewezen.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde ingevolge het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant begroot op in totaal € 1.288,-- aan kosten voor beide instanties. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht, is de Raad niet gebleken.

Tevens zal gedaagde op grond van artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht van € 104,37 in totaal dienen te vergoeden.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten worden voor zover betrekking hebbend op de premiecorrectie ad f 5.929,39;
Verklaart het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 december 1997 alsnog niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beide instanties tot een bedrag € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Wijst af het meer of anders gevorderde;
Bepaalt dat het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen aan appellant het gestorte griffierecht van € 104,37 in beide instanties vergoedt.


Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 november 2002.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x