Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AF5072
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-01-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terechte niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Aangezien betrokkene eerst na afloop van de bezwaartermijn uitstel heeft verzocht en verkregen, is hij ten onrechte in zijn bezwaar ontvangen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/3104 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 17 juli 2002 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Leeuwarden onder dagtekening 8 mei 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 29 augustus 2002 ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 januari 2003, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde -met voorafgaand schriftelijk bericht- niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant die bij het indienen van zijn bezwaarschrift de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn van zes weken niet in acht heeft genomen, redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

Naar aanleiding van een op 11 februari 2000 bij appellant gehouden looncontrole heeft gedaagde bij besluiten van 21 april 2000 correctienota's opgelegd over de jaren 1995 tot en met 1998. Na telefonisch contact met gedaagde heeft appellant tot 1 juli 2000 de tijd gekregen om zijn bezwaar kenbaar te maken. Bij bezwaarschriften van 24 juni 2000 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen voornoemde correctienota's.
Na geconstateerd te hebben dat het bezwaar te laat was ingediend, heeft gedaagde bij besluit op 18 oktober 2000 desalniettemin inhoudelijk beslist, omdat appellant een mondelinge toezegging had verkregen waarbij hem uitstel was verleend voor het aantekenen van bezwaar.

Na de behandeling van het beroep ter zitting is de rechtbank gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Teneinde gedaagde enkele vragen voor te kunnen leggen heeft de rechtbank besloten om met toepassing van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek te heropenen. Met name is gedaagde de vraag voorgelegd of appellant binnen de wettelijke termijn van zes weken, dat wil zeggen voor 2 juni 2000, uitstel heeft gevraagd voor het indienen van zijn bezwaarschrift. In reactie daarop heeft gedaagde een afschrift van een telefoonnotitie overgelegd waaruit blijkt dat appellant op 16 juni 2000 telefonisch om uitstel voor het indienen van bezwaar heeft verzocht en verkregen.

De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad, gepubliceerd in JB 2000/343, heeft de rechtbank als zijn oordeel uitgesproken dat aangezien appellant eerst na afloop van de bezwaartermijn uitstel heeft verzocht en verkregen gedaagde hem ten onrechte in zijn bezwaar ontvangen heeft. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank weliswaar het beroep van appellant gegrond verklaard, maar zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij na een inhoudelijke behandeling door de rechtbank Leeuwarden, waarbij de termijnoverschrijding slechts was aangehaald, onverwacht geconfronteerd werd met een niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar ondanks het gegeven dat hij met goedvinden van gedaagde zijn bezwaar later mocht indienen.

De Raad overweegt als volgt.

Dat de overschrijding van de bezwaartermijn geen punt van geschil is tussen partijen is voor de Raad geen grond om dit bij zijn beoordeling buiten beschouwing te laten. De Raad is van oordeel dat hij zich over de toepassing van bepalingen van openbare orde, zoals die welke de tijdigheid van het indienen van een bezwaarschrift betreffen, als regel ambtshalve zal dienen uit te spreken. De Raad vindt hiervoor steun in de memorie van antwoord aan de Tweede kamer van de Staten Generaal bij artikel 8:69 van de Awb, waarin is uitgesproken dat regels inzake bevoegdheid en ontvankelijkheid van openbare orde zijn en niet ter vrije beschikking van partijen staan en dat de rechter zich niet zal conformeren aan een ten onrechte verschoonbaar geoordeelde termijnoverschrijding.

De Raad verenigt zich derhalve met oordeel van de rechtbank en kan het standpunt van appellant, dat hij plotseling geconfronteerd werd met een niet-ontvankelijkverklaring, niet delen aangezien de rechtbank na inhoudelijk behandeling het onderzoek heeft heropend en gedaagde expliciet heeft gevraagd naar het verleende uitstel het indienen van het bezwaar betreffende. Appellant is door de rechtbank op de hoogte gesteld van de reactie van gedaagde en heeft daarin geen aanleiding gezien te reageren of om af te zien van het geven van toestemming om het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht en op goede gronden het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, terwijl ook de Raad niet gebleken is van een verschoonbare reden voor deze termijn overschrijding.

Gelet op het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termijn aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x