Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AF7215
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctienota's over de jaren in geding, bevattende een naheffing inzake bovenmatig verstrekte vergoedingen voor semafoonkosten, verstrekt door het betrokken bedrijf aan haar werknemers. Oplegging van boetenota's. Er staan tegenover de verstrekte semafoonvergoeding geen daadwerkelijk door de werknemer tijdens de wachtdiensten gemaakte kosten ter hoogte van de vergoeding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/4689 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET DE GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 17 juli 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen de correctienota's met betrekking tot de jaren 1993 tot en met 1997 bevattende een naheffing inzake bovenmatige verstrekte vergoedingen voor semafoonkosten, verstrekt door appellante aan haar werknemers.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 13 juli 2000 het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is P.H.A.M. Blokker RA, werkzaam bij Killaars Steeghs Groep te Hoensbroek, op bij aanvullend beroepschrift van 13 november 2000 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 12 december 2000 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 januari 2003, waar voor appellante is verschenen H.J.M. Koeman, eveneens werkzaam bij Killaars Steeghs Groep te Hoensbroek. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. C.J.M. Kluytmans, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of gedaagdes besluit van 17 juli 1998 in rechte stand kan houden.

Naar aanleiding van een bij appellante door gedaagde gehouden looncontrole heeft gedaagde correctienota's opgelegd over de jaren 1993 tot en met 1997, welke na bezwaar zijn gehandhaafd, aangezien gedaagde van mening is dat de door appellante aan haar werknemers verstrekte semafoonvergoeding van f 37,50 per week als bovenmatig moet worden aangemerkt.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat de hoofdregel van artikel 4, eerste lid, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) luidt dat al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten, loon vormt voor de premieheffing voor de sociale werknemersverzekeringen.
Een uitzondering hierop wordt onder meer gemaakt in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de CSV, waarin is bepaald dat niet tot het loon behoren vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten.

Gegeven het uitzonderingskarakter van de bepaling over onkosten ten opzichte van de hoofdregel ligt het, zoals de rechtbank ook reeds heeft overwogen, op de weg van degene die een beroep doet op deze bepaling, aannemelijk te maken dat deze uitzondering zich voordoet.
In deze bewijsvoering is appellante naar het oordeel van de Raad niet geslaagd. De Raad heeft hierbij het volgende overwogen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als volgt overwogen waarbij appellante is aangeduid als eiseres:
"De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat eiseres er daarmee niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de betreffende vaste vergoeding terzake van wachtdiensten ten bedrage van f 37,50 of f 25,-- per week strekt tot bestrijding van de kosten welke de werknemer dient te maken voor de uitoefening van zijn werkzaamheden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat tijdens de looncontrole geconstateerd is dat kosten als reiskosten en telefoonkosten reeds afzonderlijk vergoed worden door eiseres en dat eventuele tijdens de wachtdienst genuttigde maaltijden vergoed worden door eiseres.
Namens eiseres is verder aangevoerd dat in verband met extra energiekosten een onbelaste vergoeding van f 2,50 per gewerkte avonddienst mag worden verstrekt. Naar de rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres hierbij het oog op het besluit van de Sociale Verzekeringsraad (SVR) van 24 november 1988, Stcrt. 1988, 234, waarbij de SVR - in navolging van een brief van het Ministerie van FinanciŰn van 4 oktober 1988, nr. DB88/5910 - heeft besloten vaste bedragen te hanteren voor het vaststellen van de omvang van de extra kosten in verband met onregelmatige diensten. Onder kosten van onregelmatige diensten verstaat de SVR de extra kosten van verlichting, verwarming en maaltijden van de onregelmatige of continue dienstwerker. De rechtbank overweegt dienaangaande dat tijdens de looncontrole is geconstateerd dat de betreffende werknemers niet elke dag van de week wachtdienst hadden en namens eiseres bij schrijven van 27 januari 2000 is verklaard dat zij niet wekelijks wachtdienst hadden, terwijl door eiseres een vaste wekelijkse vergoeding werd verstrekt ongeacht het aantal wachtdiensten. Er werd derhalve ook vergoeding verstrekt op dagen en/of weken dat voor de betreffende werknemers geen sprake was van wachtdienst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit argument van eiseres geen doel treft.
Ten aanzien van de stelling dat in de verstrekte semafoonvergoeding een bedrag voor verteerkosten is inbegrepen, verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven reeds is overwogen met betrekking tot het feit dat de werkzaamheden niet iedere dag van de week of niet wekelijks werden verricht. Voorts werden, zoals reeds vermeld, maaltijden apart vergoed wanneer de bon werd overgelegd.
Met betrekking tot de overgelegde grootboekkaarten, waarin de uitbetaalde semafoonvergoedingen over de jaren 1992 tot en met 1996 zijn verantwoord, overweegt de rechtbank dat enkel de vermelding in de grootboekkaart niet aantoont dat de semafoonvergoeding strekt ter bestrijding van de kosten welke de werknemer daadwerkelijk heeft gemaakt in de uitoefening van de wachtdienst.
Bovenstaande doet de rechtbank concluderen dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verstrekte vaste wekelijkse semafoonvergoeding terzake van de wachtdienst betrekking heeft op de reŰle onkosten die verband houden met de dienstbetrekking".

De Raad kan zich met dit onderdeel van de uitspraak verenigen. Ook in hoger beroep heeft appellante op geen enkele wijze bewijs geleverd dat er tegenover de door appellante verstrekte semafoonvergoeding daadwerkelijk door de werknemer tijdens de wachtdiensten gemaakte kosten staan ter hoogte van de vergoeding. De stelling van appellante in hoger beroep, namelijk dat het geen wekelijkse vaste vergoeding betreft, maar uitsluitend een vergoeding wanneer er wachtdiensten gedraaid worden, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Het voorgaande geldt evenzeer voor wat betreft de verwijzing naar het besluit van de SVR van 24 november 1988, Stcrt. 1988, 234.

Met het vorenstaande is gegeven dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Daarmede is tevens gegeven dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Huls.




Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde tot en met achtste lid, 4 tot en met 8 van die wet en de op die artikelen berustende bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x