Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AF7984
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijkaansprakelijkstelling op grond van artikel 16d van de CSV van betrokkenen voor de door het betreffende bedrijf over de jaren in geding onbetaald gelaten premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Is er sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur? Dat betrokkene zijn verklaring onder ongeoorloofde druk heeft afgelegd, is onvoldoende aannemelijk gemaakt.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/5046 CSV en 00/4947 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant 1] en [appellant 2], wonende te [woonplaats], respectievelijk appellant 1 en appellant 2,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluiten van 26 februari 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellanten tegen de primaire besluiten van 18 juni 1996, waarbij appellanten op grond van artikel 16d van de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV) hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten over de jaren 1991 tot en met 1995, verschuldigd door Gebroeders [naam gebroeders] [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam]) voor een bedrag van f. 173.000,17.

De rechtbank Amsterdam heeft de tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen bij uitspraken van 10 augustus 2000 ongegrond verklaard.

Namens appellanten is mr. A.C.M. Roestenberg, advocaat te Rotterdam, op bij beroepschriften van 15 september 2000 aangevoerde gronden van die uitspraken bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft in beide zaken verweerschriften ingediend.

Desgevraagd zijn namens appelanten bij brief van 1 december 2002 nog enkele stukken ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 februari 2003, waar appellant 2 in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Roestenberg, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Beheersmaatschappij Gebroeders [naam beheersmaatschappij] was ten tijde in geding bestuurder van [bedrijfsnaam]. Bestuurders van de beheersmaatschappij waren de broers [appellant 1] en [naam broer]. De aandelen van de beheersmaatschappij waren voor 49,75 % in handen van elk van de broers en voor 0,50 % in handen van hun vader
[appellant 2].

Uit een onderzoek ingesteld naar de loonbetalingen die zijn verricht door [bedrijfsnaam], waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 28 november 1993, kwam naar voren dat die onderneming in de jaren 1991 tot en met 1995 betalingen heeft gedaan aan personen die in de onderneming werkzaam waren welke betalingen niet als loon in de bedrijfsadministratie zijn verantwoord.

Vervolgens heeft gedaagde [bedrijfsnaam] correctie- en boetenota's doen toekomen.

Bij brieven van 27 maart 1996 heeft gedaagde onder meer zowel appellant 1 als appellant 2 in kennis gesteld van haar voornemen hen op grond van artikel 16d van de CSV als respectievelijk bestuurder en beleidsbepaler hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de door [bedrijfsnaam] onbetaald gelaten premies omdat aannemelijk is dat het niet betalen van deze premies een gevolg was van aan appellanten te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, zulks ten bedrage van in totaal fl. 176.705, 33.

Bij besluiten van 18 juni 1996 is gedaagde overgegaan tot aansprakelijkstelling van appellanten voor de niet-betaling van dit bedrag. Bij de bestreden besluiten heeft gedaagde de primaire besluiten gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde voor wat betreft de niet-betaling van de premies overwogen dat het niet betalen van de premies te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur omdat loon werd uitbetaald wat bewust niet werd verantwoord in de bedrijfsadministratie en ook niet vermeld werd in de jaaropgaven, waardoor gedaagde is benadeeld. Met betrekking tot appellant 2 heeft gedaagde voorts overwogen dat hij als feitelijk beleidsbepaler aansprakelijk is voor de premieschuld van [bedrijfsnaam], aangezien uit de in het kader van het onderzoek tegenover de opsporingsambtenaren door zijn zoons en door hemzelf afgelegde verklaringen is gebleken dat hij feitelijk een grote invloed heeft gehad op de gang van zaken binnen de onderneming, met name op de wijze waarop de betalingen binnen de onderneming verantwoord dienden te worden.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de namens appellanten tegen de besluiten van 26 februari 1998 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Ter zake van appellant 1 is in hoger beroep gesteld dat hij zich niet bezig hield met bestuurstaken en dat hij geen notie had van wat er zich op financieel gebied binnen het bedrijf afspeelde. Ter zake van appellant 2 is in hoger beroep gesteld dat de rechtbank heeft nagelaten te motiveren waarom appellant 2 als feitelijk beleidsbepaler aansprakelijk kon worden gesteld. Daarbij is gesteld dat deze aansprakelijkstelling is gebaseerd op een verklaring van appellant 2 en de gelijkluidende verklaringen van beide zoons, waarbij door de rechtbank zou zijn nagelaten in haar overwegingen te betrekken dat de verklaring van appellant 2 onder ongeoorloofde druk is afgelegd.

De Raad overweegt als volgt.

Gedaagde heeft appellanten toegelaten tot weerlegging van het wettelijk vermoeden dat het niet betalen van de verschuldigde premies het gevolg is van aan hen te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Raad stelt voorop dat ter zitting door appellant 2 is bevestigd dat uitbetaald loon bewust niet in de bedrijfsadministratie werd verantwoord. Daarmee is naar het oordeel van de Raad gegeven dat geen sprake is van een deugdelijke weerlegging van het wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Raad moet met betrekking tot appellant 1 vaststellen dat hetgeen namens hem is aangevoerd onvoldoende is om te dienen als disculpatie om aan zijn aansprakelijkheid te ontkomen. Volgens vaste jurisprudentie neemt een ieder die zich laat benoemen tot bestuurder van een rechtspersoon daarmee de verantwoordelijkheid voor het (financiŽle) beleid van die rechtspersoon op zich. Hij dient zich dan ook op de hoogte te houden van de financiŽle toestand van de rechtspersoon en ter zake adequate maatregelen te treffen. Een bestuurder kan zich niet aan zijn verantwoordelijkheid onttrekken door zich afzijdig te houden van het bestuur van die rechtspersoon. Een tussen de bestuurders gemaakte taakverdeling werkt slechts intern en niet tegenover derden. Een bestuurder zal zich derhalve als regel niet kunnen beroepen op een bepaalde taakverdeling, of op zijn onbekwaamheid ten aanzien van (bepaalde) bestuurstaken. Van zeer bijzondere omstandigheden waaronder appellant 1 zich voor het binnen de onderneming gevoerde bestuur zou kunnen disculperen, is de Raad in casu niet gebleken. Als zodanig kan niet gelden de namens appellant 1 naar voren gebrachte, niet onderbouwde stelling, dat hij voor bestuurder de bekwaamheden mist.

Met betrekking tot appellant 2 heeft gedaagde zoals gezegd overwogen dat hij als feitelijk beleidsbepaler aansprakelijk is voor de premieschuld van [bedrijfsnaam], aangezien hij feitelijk een grote invloed heeft gehad op de gang van zaken binnen de onderneming, met name op de wijze waarop de betalingen binnen de onderneming verantwoord dienden te worden. Gedaagde heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaring van appellant 2 zelf, alsmede op de gelijkluidende verklaringen van zijn zoons.

Ingevolge artikel 16d, zesde lid, aanhef en onder b, van de CSV wordt voor de toepassing van dit artikel onder bestuurder mede verstaan degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder.

De Raad dient in dat kader de vraag te beantwoorden of het handelen van appellant 2 een - het beleid van de vennootschap (mede) bepalend - handelen betreft dat door bestuurders pleegt te geschieden.

Evenals de rechtbank en met gedaagde is de Raad van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Raad baseert zich daarbij in hoofdzaak op de tegenover de opsporingsfunctionarissen afgelegde verklaring van appellant 2 en de gelijkluidende verklaringen van zijn zoons, alsmede op hetgeen door appellant 2 ter zitting is verklaard. Daaruit leidt de Raad af dat appellant 2 het financiŽle beleid binnen de onderneming in hoofdzaak bepaalde. Zo gaf hij, mede op basis van de jaarstukken, advies aan zijn zoons over de inrichting van de boekhouding, waarbij hij aangaf op welke wijze loon buiten de administratie kon worden gehouden. Verder voerde hij de onderhandelingen bij de start van de onderneming, verstrekte hij zijn zoons ten behoeve van de onderneming een lening, stond hij financieel borg voor zijn zoons en bemiddelde hij bij financiŽle problemen tussen zijn zoons en leveranciers. Op grond van het door hem verrichte handelen kan zonder meer worden gesteld dat appellant 2 het beleid van de onderneming - waaronder het exploiteren van een snackbar met behulp van werknemers die niet of niet volledig in de loonadministratie werden verantwoord - in belangrijke mate (mede) bepaalde. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat appellant 2 op het terrein van het financiŽle beheer handelde als ware hij bestuurder. Aan het vorenstaande doet niet af dat hij soms enige tijd in het buitenland verbleef, aangezien hem dat kennelijk niet verhinderde een overwegende invloed op het financiŽle beheer van de onderneming uit te oefenen.

Het namens appellant 2 ingenomen standpunt dat hij niet mag worden gehouden aan de verklaring die hij tegenover de opsporingsambtenaren van gedaagde heeft afgelegd omdat deze verklaring onder ongeoorloofde druk zou zijn afgelegd wordt verworpen. Uit 's Raads vaste jurisprudentie vloeit voort dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan het intrekken daarvan, of het achteraf ontkennen van het verklaarde, weinig of geen betekenis toekomt. Dat appellant zijn verklaring onder ongeoorloofde druk heeft afgelegd is voor de Raad onvoldoende aannemelijk geworden, te meer daar het ter zitting door appellant 2 verklaarde nagenoeg overeenkomt met de eerder door hem tegenover de opsporingsambtenaren afgelegde verklaring.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Roeland als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R. Roeland.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x