Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AH9105
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-06-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht met toepassing van artikel 12 van de CSV een hogere boete opgelegd dan een verhoging van 5% over het na te vorderen premiebedrag?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/5968 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[naam bedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Naar aanleiding van een bij gedaagde gehouden looncontrole heeft appellant premie- en boetenota's opgelegd alsmede een verzuim geregistreerd over de jaren 1994 tot en met 1997, omdat de lonen niet, niet juist of niet volledig waren opgenomen in de administratie en deze dientengevolge niet, niet juist of niet volledig aan de uitvoeringsinstelling middels de jaaropgavekaarten waren opgegeven. De tegen deze besluiten ingestelde bezwaren van gedaagde is bij besluit van 11 juni 1999 door appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 9 oktober 2000 het door gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van 11 juni 1999 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover daarbij een hogere boete is opgelegd dan een verhoging van 5% over het na te vorderen premiebedrag en heeft in zoverre het besluit van 15 maart 1999 herroepen. Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat appellant het door gedaagde gestorte griffierecht dient te vergoeden.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 1 februari 2001 (met bijlagen) aangevoerde gronden tegen de uitspraak van de rechtbank bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. G.A.J. Spijkers, belastingadviseur bij Meeuwsen Ten Hoopen & Co te Assen, bij schrijven van 1 maart 2001 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 april 2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.F.K. ter Hennepe. Namens gedaagde is verschenen haar gemachtigde, mr. Spijkers, voornoemd.




II. MOTIVERING


Gedaagde exploiteert te [vestigingsplaats] een eetcafÚ. Naar aanleiding van een bij gedaagde door appellant gehouden looncontrole heeft appellant over de jaren 1994 tot en met 1997 correctienota's opgelegd omdat gedaagde niet, niet juist of niet volledig had voldaan aan de in artikel 10, tweede lid, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) bedoelde verplichtingen tot het doen van loonopgaven voor wat betreft de premielonen van de bij haar werkzame parttime hulpkrachten en voor wat betreft het uitbetalen van reiskostenvergoedingen aan werknemers. Tevens heeft appellant terzake hiervan op 15 maart 1999 over de jaren 1994 tot en met 1997 boetes opgelegd, waarbij de hoogte van de boetes, gelet op de kwalificatie opzet dan wel grove schuld en gelet op het feit dat het een eerste verzuim betrof, is vastgesteld op 25% van de aan gedaagde over de jaren 1994 tot en met 1997 opgelegde correctienota's.

De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het besluit van 11 juni 1999, waarbij het bezwaar van gedaagde ongegrond is verklaard, gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, voor zover daarbij een hogere boete is opgelegd dan een verhoging van 5% over het na te vorderen premiebedrag en heeft in zoverre het besluit van 15 maart 1999 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiseres gedaagde gelezen dient te worden en voor verweerder appellant.
"Verweerder heeft eiseres een boete opgelegd ter hoogte van 25% van de navordering, ter zake van het niet doen van de juiste loonopgaven in de jaren 1994 t/m 1997.
Daartoe heeft verweerder geoordeeld dat dit een verzuim is, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, CSV.
De rechtbank onderschrijft dit standpunt.
(...)
Eiseres heeft gesteld dat sprake is van een technische heffingskwestie (omrekeningskwestie), zoals ook door de fiscus wordt geoordeeld, en dat daarbij niet de kwalificatie opzet/grove schuld past.
De rechtbank is van oordeel dat uit het gegeven dat de wetgever welbewust geen onderscheid heeft gemaakt naar gradaties van schuld (Nota van Toelichting bij de Beschikking Administratieve Boeten Co÷rdinatiewet), voortvloeit dat niet de nadruk moet worden gelegd op het adjectief "grove" indien het om schuld gaat.
De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad in het kader van artikel 18 AWR af te leiden valt, dat het doen van een niet met de wet strokende loonopgave valt onder het begrip "grove schuld", tenzij deze aangifte geschiedt op grond van een welbewust ingenomen standpunt over de (uitleg en toepassing van de) wet, dat pleitbaar is. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Eiseres heeft weliswaar bedoeld de CAO-lonen voor alle werknemers te doen gelden, maar heeft nettoloonafspraken gemaakt en de accountant geen opdracht gegeven er steeds voor te zorgen dat de brutering tenminste op het CAO-loonniveau uitkwam. Ook heeft de accountant dit niet zelf gedaan. Dit laatste valt in de risicosfeer van eiseres.
De rechtbank stelt vast dat in de jaren, waarin de onjuiste loonopgave werd gedaan een buitenwettelijk beleid werd gevoerd door de uitvoerende afdeling dat voor eiseres tot een aanzienlijk gunstiger resultaat zou kunnen leiden. Dit is ter zitting besproken. Dit beleid dient ook bij het bestreden besluit betrokken te worden. Zou de datum waarop dit besluit is genomen beslissend zijn voor het toepasselijke regime, dan strookt dit niet met de wettelijke systematiek.
De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres weliswaar bewust een risico heeft genomen, maar niet de bedoeling heeft gehad verweerder te benadelen. Dit risico heeft voor een deel van het personeel tot te lage brutolonen geleid, terwijl het voor een ander deel van het personeel tot hogere brutolonen heeft geleid dan het CAO-loon dat eiseres met hen overeengekomen was. Van dit laatste hebben slechts de fiscus en verweerder profijt gehad.
Onder deze omstandigheden had verweerder toepassing moeten geven aan artikel 7 van het ABC-Besluit. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder daarbij moeten volstaan met een boete van 5 procent en het registreren van een verzuim. De rechtbank acht zich gerechtigd dit oordeel uit te spreken nu sprake is van het opleggen van een straf. Alsdan is geen sprake van een "vrije" bestuursbevoegdheid van verweerder."

Appellant is van deze uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen onder aanvoering van de volgende grieven:
Bestreden wordt dat er in de jaren 1994 tot en met 1997, zoals door de rechtbank is overwogen, een voor gedaagde gunstiger beleid gold. Door appellant is uiteengezet of en welk evenredigheidsbeleid in de loop der jaren heeft gegolden, zodat duidelijk wordt dat een beleid waarin de evenredigheid van de boete wordt afgezet tegen de ernst van het verzuim eerst in 1997 is ontstaan. Daarbij is namens appellant aangegeven dat slechts over het jaar 1997 een gunstiger beleid gold, waarbij gezien de hoogte van het niet opgegeven bedrag en het feit dat het verzuim is gekwalificeerd als opzet of grove schuld een boete opgelegd had dienen te worden van 5% in plaats van de opgelegde 25% van de niet verantwoorde premie.
Voorts is appellant de mening toegedaan dat de rechtbank een veel te ruime uitleg heeft gegeven aan het begrip "bijzondere omstandigheid" als bedoeld aan artikel 7 van het ABC-besluit. Uit de toelichting op het ABC-besluit blijkt dat deze bepaling ziet op uitzonderlijke situaties, zoals overmacht en rampsituaties, waarvan in het onderhavig geval geen sprake is.

De Raad overweegt als volgt.

Nu uitsluitend appellant hoger beroep heeft ingesteld, dient de Raad slechts te beantwoorden de vraag of de rechtbank op juiste gronden het bestreden besluit heeft vernietigd voor zover daarbij een hogere boete is opgelegd dan een verhoging van 5% over het na te vorderen premiebedrag. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.

De Raad overweegt dienaangaande dat indien wordt overgegaan tot het opleggen van een boete ingevolge artikel 12 van de CSV, de (hoogte van de) boete wordt vastgesteld en opgelegd op grond van het op dat moment geldende boeteregime. Voor het onderhavig geval betekent het voorgaande dat ten tijde van de oplegging van de boetenota's over de jaren 1994 tot en met 1997 bij besluiten van 15 maart 1999 de volgende van belang zijnde regelingen van toepassing waren, het Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 december 1987, Stcrt. 1987, 252, (Administratieve Boeten Co÷rdinatiewet (ABC-besluit)), zoals gewijzigd bij Besluit van 25 februari 1997, Stcrt. 1997, 41, alsmede het Besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen van 24 juni 1998, Stcrt. 1998, 123 (Toepassing administratieve boeten Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering). Uitgaande van deze besluiten is de Raad van oordeel dat appellant ten tijde van de oplegging van de boetes in maart 1999 op juiste gronden is gekomen tot een boete van 25%.

Ten aanzien van een door gedaagde met betrekking tot de boetes gevoerd buitenwettelijk beleid op grond waarvan de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd, merkt de Raad op dat dit beleid, zoals ook namens appellant in het aanvullend hoger beroepschrift naar voren is gebracht, slechts heeft gegolden in het jaar 1997. Dit beleid is, gelet op het voorgaande, voor wat betreft de oplegging van de boetes in dit geval niet meer van betekenis.

Met betrekking tot appellants tweede grief deelt de Raad de mening van appellant dat de rechtbank een te ruime uitleg heeft gegeven aan het begrip "bijzondere omstandigheid" als bedoeld in artikel 7 van het ABC-besluit. Met appellant is de Raad van oordeel dat hiermee wordt bedoeld overmacht en rampsituaties. Hiervan is in het geval van gedaagde geen sprake geweest.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellant terecht over de jaren 1994 tot en met 1997 een administratieve boete van 25% heeft opgelegd over de na te vorderen premiebedragen en dat gelet op de mate van aan gedaagde toe te rekenen verwijtbaarheid een boete van 25% passend en geboden is.

Gelet op het vorenstaande kan de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, niet in stand blijven en dient het inleidend beroep in zoverre alsnog ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze in hoger beroep is aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x