Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AH9107
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-06-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bij de toepassing van de artikelen 16a tot en met 16d van de CSV geldt geen specifieke volgorde indien meerdere personen of lichamen hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/5928 CSV, 00/6029 CSV en 00/6031 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], hierna: belanghebbende,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna: het bestuursorgaan.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 15 mei 2000 heeft het bestuursorgaan gedeeltelijk gegrond verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen het besluit van 29 september 1998, waarbij hij op grond van artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [bedrijfsnaam] (hierna: de Adviesgroep) onbetaald gelaten sociale verzekeringspremies over de jaren 1995 tot en met 1998, voorzover het betreft de perioden van 5 november 1996 tot juni 1997 en van 1 april 1998 tot 1 augustus 1998, en het besluit van 29 september 1998 gehandhaafd voorzover het betreft de perioden van 1 augustus 1994 tot 5 november 1996 en van juni 1997 tot 1 april 1998.

De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 9 oktober 2000 onder meer het tegen het besluit van 15 mei 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voorzover het betrekking heeft op de periode van 1 juni 1997 tot 1 april 1998, bepaald dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen, het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en bepaald dat het bestuursorgaan het griffierecht dient te vergoeden.

Belanghebbende is bij gemachtigde, mr. W.J.A. Vis, werkzaam bij Das Rechtsbijstand te Amsterdam, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspaak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Het bestuursorgaan heeft een verweerschrift ingediend.

Het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift van 3 mei 2001 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Bij brief van 28 april 2003 zijn namens belanghebbende nog enige stukken ingezonden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 mei 2003, waar belanghebbende in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Vis, voornoemd, en waar voor het bestuursorgaan zijn verschenen mr. F.W.M. Keunen en mr. drs. R.H.L. Niehof, beiden werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Uit de gedingstukken blijkt het volgende.

De Adviesgroep heeft nagelaten over de jaren 1995 tot en met 1998 premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten te voldoen. Belanghebbende was met ingang van 1 augustus 1994 als directeur van Adviesgroep ingeschreven in het handelsregister. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is hij op 5 november 1996 geschorst als directeur. Belanghebbende is sedert juni 1997 wederom werkzaam geweest voor de Adviesgroep, in de functie van interim-manager. Belanghebbende heeft deze betrekking op 1 april 1998 per direct opgegeven, waarbij hij heeft aangegeven nog wel enige maanden als aanspreekpunt voor de Adviesgroep te willen functioneren. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister d.d. 7 januari 1999 is de onderneming met ingang van 1 augustus 1998 opgeheven.

Ingevolge artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a, van de CSV is, voorzover hier van belang, hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en voorschotpremie verschuldigd door een niet binnen het Rijk wonende of gevestigde werkgever: de leider van zijn vaste inrichting binnen het Rijk, zijn binnen het Rijk wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger, dan wel degene, die de leiding heeft van de hier te lande verrichte werkzaamheden.

Bij het bestreden besluit heeft het bestuursorgaan overwogen dat belanghebbende, voorzover het de periode van 1 augustus 1994 tot 5 november 1996 betreft, als directeur en bestuurder met onbeperkte bevoegdheid van de Adviesgroep moet worden aangemerkt als degene die de leiding had van de vaste inrichting binnen het rijk, de binnen het Rijk wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger dan wel degene die de leiding had van de in Nederland door de Adviesgroep verrichte werkzaamheden, en ingevolge artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a, van de CSV hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de Adviesgroep niet betaalde premies over deze periode.

Tevens heeft het bestuursorgaan bij dat besluit overwogen dat belanghebbende ingevolge artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a, van de CSV eveneens hoofdelijk aansprakelijk is voorzover het de periode van juni 1997 tot 1 april 1998 betreft. Daarbij heeft het bestuursorgaan van belang geacht dat belanghebbende, ondanks het feit dat hij als bestuurder in die periode geschorst was, zich heeft opgesteld als de vaste vertegenwoordiger, dan wel degene die de leiding had van de hier te lande verrichte werkzaamheden.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 9 oktober 2000 het bestreden besluit vernietigd voorzover het betrekking heeft op de periode van 1 juni 1997 tot 1 april 1998, aangezien naar het oordeel van de rechtbank op basis van de op dat moment beschikbare gegevens niet is komen vast te staan dat belanghebbende gedurende deze periode belast was met de leiding van de Adviesgroep. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat indien het bestuursorgaan in het nieuw te nemen besluit op bezwaar tot het oordeel komt dat belanghebbende in genoemde periode wel als leider van de Adviesgroep kan worden aangemerkt, daarbij tevens aandacht dient te worden besteed aan de vraag waarom is afgezien van aansprakelijkstelling van de commercieel directeur [naam directeur], en in hoeverre de aansprakelijkstelling jegens belanghebbende over die periode in verband daarmee nog in stand kan blijven.

Beide partijen zijn in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van belanghebbende richt zich op het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende gedurende de periode van 1 augustus 1994 tot 5 november 1996 als leider van de vaste inrichting kan worden aangemerkt. Het hoger beroep van het bestuursorgaan ziet op de gegrondverklaring van het beroep en de overweging met betrekking tot de aansprakelijkstelling van [naam directeur].

De Raad overweegt als volgt.



De periode van 1 augustus 1994 tot 5 november 1996

De Raad stelt voorop dat niet betwist wordt dat belanghebbende gedurende de periode 1 augustus 1994 tot maart 1996 (mede) als een persoon als bedoeld in artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a, van de CSV moet worden aangemerkt. Ook de Raad is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de inschrijving in het handelsregister, in genoemde periode als zodanig moet worden aangemerkt. Dat geldt naar het oordeel van de Raad ook voor de periode van maart 1996 tot 5 november 1996. Door belanghebbende is ter zitting van de Raad weliswaar gesteld dat hij vanaf maart 1996 geen bemoeienis meer had met de Adviesgroep, doch daarvan blijkt niet uit de stukken. Verder acht de Raad van betekenis dat belanghebbende zich vanaf maart 1996 niet als bestuurder heeft laten uitschrijven uit het handelsregister.

Belanghebbende stelt verder dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van de bestuurder van een Nederlandse rechtspersoon. Laatstbedoelde bestuurder kan zich bij tijdige melding aan het bestuursorgaan dat het niet tot betaling in staat is, disculperen van het vermoeden van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Van de kant van belanghebbende is gesteld dat dit in strijd komt met de Richtlijn 68/151 EEG en de daarop gebaseerde Wet Conflictenrecht Corporaties en de Wet op de Formeel Buitenlandse Vennootschappen. Verder heeft belanghebbende ingezonden de conclusie van de Advocaat-generaal van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 januari 2003 in de zaak C-167/01 (kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam tegen Inspire Art Ltd, vennootschap naar Engels recht), echter zonder daaraan conclusies te verbinden.

Naar aanleiding hiervan merkt de Raad op dat belanghebbende niet als bestuurder op grond van artikel 16d van de CSV aansprakelijk is gesteld, doch als een persoon als bedoeld in artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a van de CSV. Reeds daarom kan de Raad belanghebbende niet volgen in zijn grief dat hij als bestuurder van een vaste inrichting ongelijk wordt behandeld ten opzichte van de bestuurder van een Nederlandse rechtspersoon. Overigens kon door belanghebbende niet worden aangegeven welk artikel van voornoemde richtlijn hier in geding is. Verder behoeft de verwijzing naar de conclusie van de Advocaat-generaal van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 januari 2003 in de zaak C-167/01 geen bespreking, nu van de kant van belanghebbende ter zitting is toegegeven dat bij nader inzien geen sprake was van een belemmering van het recht van vrije vestiging (artikel 43 EG-Verdrag).

De Raad komt derhalve tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende niet slaagt en deswege de aangevallen uitspraak voorzover door hem aangevochten dient te worden bevestigd.



De periode van 1 juni 1997 tot 1 april 1998

Het hoger beroep van het bestuursorgaan ziet primair op het oordeel van de rechtbank dat op basis van de beschikbare gegevens niet is komen vast te staan dat belanghebbende gedurende de interim-periode van juni 1997 tot 1 april 1998 belast was met de leiding van de Adviesgroep. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat belanghebbende ook voor deze periode als een persoon als bedoeld in artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a, van de CSV moet worden aangemerkt. De Raad heeft daarbij van belang geacht dat belanghebbende in die periode, waarin hij [naam directeur] wegens ziekte verving, als interim-manager feitelijk de leiding van de onderneming had. Verder is voldoende komen vast te staan dat hij in die periode op nagenoeg dezelfde wijze werkzaam is geweest als in de periode van 1 augustus 1994 tot 5 november 1996. Weliswaar is door belanghebbende gesteld dat hij in de interimpriode slechts een gering aantal uren werkzaam was, doch niet ontkend wordt dat hij in die periode hetzelfde salaris verdiende als in de periode van 1 augustus 1994 tot 5 november 1996. Uit de gedingstukken blijkt verder dat hij gevolmachtigd was om directietaken uit te oefenen en dat hij voor het Gak en de Belastingdienst als aanspreekpunt fungeerde. De Raad moet dan ook vaststellen dat, gelet op artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder a, van de CSV, het bestuursorgaan belanghebbende ook voor de hier in geding zijnde periode in persoon kan aanspreken voor de premieschuld van de Adviesgroep.

Met betrekking tot de overweging van de rechtbank dat het bestuursorgaan bij een eventuele aansprakelijkstelling van belanghebbende mede dient te betrekken de vraag waarom is afgezien van aansprakelijkstelling van de commercieel directeur [naam directeur], en in hoeverre de aansprakelijkstelling jegens belanghebbende over die periode in verband daarmee nog in stand kan blijven, merkt de Raad het volgende op.De artikelen 16a tot en met 16d van de CSV voorzien weliswaar in een hoofdelijke aansprakelijkheid van rechtswege van in die artikelen nader aangeduide personen en lichamen onder nader in die bepalingen geregelde voorwaarden, maar de CSV geeft zelf verder geen regels voor een volgorde die het uitvoeringsorgaan in acht dient te nemen, wanneer ten aanzien van een bepaalde premieschuld meerdere personen of lichamen naast elkaar hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. De beslissing van een uitvoeringsorgaan om de ene persoon of het ene lichaam wel en de ander niet hoofdelijk aansprakelijk te stellen bevat deswege een "discretionair moment", met het oog waarop de rechter de vraag dient te beantwoorden of de keuze om bepaalde personen of lichamen hoofdelijk aansprakelijk te stellen de toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder in het bijzonder het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, kan doorstaan.

Hoewel niet valt uit te sluiten dat [naam directeur] na 1 juni 1997, ondanks de omstandigheid dat hij als commercieel directeur vanaf die datum was uitgeschreven uit het handelsregister, mede feitelijk leiding gaf aan de Adviesgroep, betekent dit niet dat het bestuursorgaan gelet op het vorenstaande verplicht was [naam directeur] (mede) aansprakelijk te stellen. Van de kant van het bestuursorgaan is aangegeven dat hij [naam directeur] niet (alsnog) aansprakelijk heeft gesteld voor de hier in geding zijnde periode aangezien [naam directeur] reeds ten tijde van zijn aansprakelijkstelling op 22 mei 2000 door het bestuursorgaan voor de periode van 14 november 1996 tot 1 juni 1997 persoonlijk failliet was en de verwachting was dat er uit dit faillissement geen uitkeringen zouden kunnen worden gedaan. De Raad is van oordeel dat het bestuursorgaan daarmee op voldoende wijze heeft aangegeven waarom hij [naam directeur] niet (mede) aansprakelijk heeft gesteld voor de hier in geding zijnde periode. De eerst ter zitting van de Raad naar voren gebrachte stelling dat het bestuursorgaan ook drs. H. Finkers aansprakelijk had moeten stellen treft geen doel, aangezien uit de stukken niet blijkt dat hij valt binnen de reikwijdte van artikel 16c, eerste lid, aanhef onder a, van de CSV.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van het bestuursorgaan slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Mitsdien dient te worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover door het bestuursorgaan aangevochten;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 15 mei 2000 alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van S. van der Zee als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) S. van der Zee.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x