Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AL1645
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-08-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De door betrokkene gevoerde administratie vertoont gebreken die het onmogelijk maakt het loon op de gebruikelijke wijze vast te stellen. Heeft het UWV terecht het loon kunnen schatten?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/540 CSV en 01/514 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[naam firma], gevestigd te [vestigingsplaats], en
[naam transportbedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluiten van 6 juli 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellanten tegen de aan hen opgelegde correctie- en boetenota's over de jaren 1994 tot en met 1996 van respectievelijk 18 februari 1999, 1 maart 1999, 10 maart 1999 en 22 maart 1999.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft de namens appellanten tegen bovengenoemde besluiten ingestelde beroepen bij uitspraken van 12 december 2000 ongegrond verklaard.

Op bij beroepschrift aangevoerde gronden heeft A. van Kleef, werkzaam bij N. van Kleef Accountancy Belastingzaken te Woerden, als gemachtigde van appellanten hoger beroep ingesteld tegen voormelde uitspraken.

Gedaagde heeft d.d. 13 juni 2001 in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 juni 2003, waar voor appellanten is verschenen A. van Kleef, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.A. Koenders, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Naar aanleiding van een op 19 en 20 januari 1998 van de kant van gedaagde uitgevoerde looncontrole zijn aan appellanten correctie- en boetenota's d.dis 18 februari 1999, 1 maart 1999, 10 maart 1999 en 22 maart 1999 uitgereikt met betrekking tot de jaren 1994 tot en met 1996.
Het van dit onderzoek opgemaakte rapport van 25 februari 1998 vermeldt dat de administratie van appellanten onder meer de volgende gebreken vertoont, te weten:
- Onvolledige, onduidelijke of ontbrekende ritrapporten en tachograafschijven; soms geen verantwoording met betrekking tot periodes en kilometers; er zijn twijfels over de echtheid van sommige rapporten; menigmaal zaten er andere personen aan het stuur dan vermeld in het desbetreffende ritrapport.
- Twijfels omtrent de identiteit van een chauffeur. Soms is onduidelijk wie een bepaalde rit heeft gereden of wie daaraan heeft deelgenomen.
- Het niet in de administratie opnemen van meerdere chauffeurs.

Gelet op deze bevindingen worden de jaarloonopgaven Sociale Verzekeringen niet juist en volledig geacht. De administratie van de bedrijven geeft geen getrouw en betrouwbaar beeld omtrent de loonbetalingen aan de chauffeurs en evenmin kan deze administratie dienen als basis voor een nieuwe berekening. De looninspecteur heeft vervolgens op basis van de gegevens van de rittenstaten over 1993 en 1996, waarbij naar de jaren 1994 en 1995 is geëxtrapoleerd, de premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten berekend die appellanten alsnog over de jaren 1994 tot en met 1996 zijn verschuldigd.

Bij de bestreden besluiten heeft gedaagde deze nota's gehandhaafd.

In beroep is namens appellanten erkend dat haar administratie ten tijde van de in 1998 uitgevoerde looncontrole hiaten vertoonde en voorts dat in een aantal opzichten niet, althans niet op juiste wijze of niet volledig loonopgave is gedaan, zoals is vereist op grond van artikel 10 van de CSV en het Loonadministratiebesluit. Appellanten zijn echter van mening dat de lacunes in haar administratie met de namens haar in beroep overgelegde rittenstaten over 1996 zijn gedicht en verklaard.

Bij de aangevallen uitspraken is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

De in hoger beroep van de kant van appellanten aangevoerde bezwaren zijn in essentie een herhaling van hetgeen in de gedingen in eerste aanleg zijn aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn van de kant van appellanten niet naar voren gebracht.

In geschil is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge artikel 10 van de CSV dient een werkgever met inachtneming van de door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te stellen regels zorg te dragen voor een deugdelijke loonadministratie en aan het bestuursorgaan opgave te doen van het door zijn werknemers genoten loon.

De Raad moet hierbij vast stellen dat door appellanten niet wordt betwist dat haar administratie ten tijde hier van belang onvolledig was en dat in een aantal opzichten niet, althans niet op de juiste wijze of niet volledig loonopgave is gedaan.
De in beroep in eerste aanleg overgelegde aanvullende rittenstaten over 1996 kunnen deze onvolledigheid niet wegnemen. Met de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat deze rittenstaten, voorzover niet aanwezig ten tijde van de in 1998 uitgevoerde looncontrole en afkomstig van derden, in beginsel met de nodige voorzichtigheid dienen te worden bezien. De Raad onderschrijft hierbij het oordeel van de looninspecteur - zoals weergegeven in zijn aanvullend looncontrole rapport van 29 juni 2000 - dat zowel op basis van meer uiterlijke kenmerken, zoals het handschrift en de aanwezigheid van bepaalde gegevens na onderlinge vergelijking van de rittenstaten, als op basis van inhoudelijke argumenten, die berusten op een vergelijking van de nader overgelegde rittenrapporten met de tijdens de controle verkregen gegevens, onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat bedoelde rittenstaten de aanvankelijk geconstateerde gebreken in de administratie in overwegende mate hebben kunnen helen.
Zoals gedaagde dan ook terecht heeft aangegeven in de bestreden besluiten van 6 juli 1999, is op basis van de tijdens de looncontrole van gedaagde verzamelde gegevens de conclusie gerechtvaardigd dat de door appellanten gevoerde administratie gebreken vertoonde die het onmogelijk maakte het loon op de gebruikelijke wijze vast te stellen. Nu de loonadministratie om vermelde redenen niet als basis voor de berekening van de door appellanten verschuldigde premies kan dienen, is gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht tot een schatting van het premieloon overgegaan.

De Raad ziet in de omstandigheid dat gedaagde bij de berekening van de verschuldigde premie voor de jaren 1994 tot en met 1996 is uitgegaan van de gegevens verkregen uit de rittenstaten over 1993 en 1996 en deze zijn geëxtrapoleerd naar de jaren 1994 en 1995 geen aanleiding voor het oordeel dat gedaagde bij deze schatting onredelijke uitgangspunten heeft gehanteerd en aldus niet tot een verantwoorde, weloverwogen schatting is gekomen. Voor zover deze schatting heeft geleid tot een te hoog bedrag aan alsnog verschuldigde premies komt zulks voor rekening en risico van appellanten, omdat zij geen deugdelijke administratie hebben gevoerd.

Mede in aanmerking nemende dat appellanten geen zelfstandige grieven tegen de boetenota's hebben ingebracht, onderschrijft de Raad de conclusie van de rechtbank dat de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.W.M. van Ballegooijen als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2003.
            
(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x