Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AL1647
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-09-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft het UWV onnodig lang getalmd met de aansprakelijkstellingen in verband met onbetaald gebleven verzekeringspremies en had het UWV derhalve niet meer tot de aansprakelijkstelling van betrokkenen mogen overgaan?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/1212 CSV en 01/1214 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant 1], wonende te [woonplaats] en [appellant 2], wonende te [woonplaats], appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellanten is door drs. K.D.J.N. Leget, werkzaam bij Leget & Co Belastingadviseurs te Oss, op bij aanvullende beroepschriften van 14 juni 2001 met bijlagen aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem onder dagtekening 18 januari 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 12 juli 2001 van verweer gediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 juli 2003, waar voor appellanten is verschenen drs. K.D.J.N. Leget, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. R.H.L. Niehof, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluiten van 27 oktober 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellanten tegen de hoofdelijke aansprakelijkstelling voor de door Brood- en Banketbakkerij [het bedrijf] (hierna: het bedrijf) over de jaren 1992 tot en met 1996 onbetaald gelaten premie ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten, ten bedrage van f 358.172,49.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de tegen deze besluiten door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellanten er in zijn geslaagd om aannemelijk te maken dat het niet aan hen te wijten is dat het lichaam niet aan haar meldingsverplichting heeft voldaan. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat appellanten terecht zijn toegelaten tot weerlegging van het wettelijk vermoeden dat de niet-betaling van de premies het gevolg is van aan hen te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Naar het oordeel van de rechtbank zijn appellanten er echter niet in geslaagd om dit wettelijk vermoeden te weerleggen.
Voorts is de rechtbank anders dan appellanten van oordeel dat gedaagde niet onnodig lang heeft getalmd met de onderhavige aansprakelijkstellingen.
Hoewel volgens de rechtbank bij appellanten het vertrouwen is gewekt dat tijdig de relevante informatie is verschaft, kan dit naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen niet meebrengen dat niet meer kan worden overgegaan tot een aansprakelijkstelling op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).

Appellanten kunnen zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en hebben in hoger beroep nogmaals aangevoerd dat gedaagde onnodig lang heeft getalmd met de aansprakelijkstellingen en derhalve niet meer tot de aansprakelijkstelling van appellanten mocht overgaan.
Voorts hebben appellanten zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank dat het vertrouwensbeginsel is geschonden er toe moet leiden dat de onderhavige aansprakelijkstellingen achterwege hadden moeten blijven. In dit kader hebben appellanten er nog op gewezen dat gedaagde, door in de primaire besluiten van 18 februari 1997 zijn excuses aan te bieden, heeft erkend dat hij onjuist heeft gehandeld.

In hoger beroep heeft gedaagde herhaald van oordeel te zijn terecht en op goede gronden tot de onderhavige aansprakelijkstellingen te zijn overgegaan. Van onnodig lang talmen bij de aansprakelijkstellingen is volgens gedaagde geen sprake geweest. Voorts is gedaagde van oordeel dat bij appellanten niet het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat aansprakelijkstelling achterwege zou blijven.
Ter zitting van de Raad is van de zijde van gedaagde echter medegedeeld dat in verband met het ten tijde van de besluiten op bezwaar geldende beleid van Gak Nederland B.V. het bedrag van de aansprakelijkstelling in verband met de afhandelingsduur van de bezwaarschriften met f 50.000,-- (€ 22.689,01) dient te worden gematigd. Gedaagde heeft de Raad verzocht om zelf in de zaak te voorzien en eerst de boetenota's met f 10.986,-- (€ 4.985,23) te matigen, waardoor de boetenota's komen te vervallen. Gedaagde heeft de Raad voorts verzocht de overige f 39.014,-- (€ 17.703,78) in mindering te brengen op de premienota's.

Naar aanleiding van de grief van appellanten dat gedaagde onnodig lang heeft getalmd met de aansprakelijkstelling overweegt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 27 maart 2003, onder andere gepubliceerd in RSV 2003/108, dat het te dezen gaat om een uit de wet voortvloeiende, niet aan een termijn gebonden aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap voor door deze vennootschap onbetaald gebleven premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Daarbij komt dat een voormalige bestuurder van een gefailleerde vennootschap er rekening mee moet houden dat na het faillissement nog nadere premievaststelling ten laste van de vennootschap kan volgen en wel uiterlijk tot vijf jaar na en over het jaar waarin het faillissement is uitgesproken. Het vorenstaande betekent naar het oordeel van de Raad dat van talmen geen sprake kan zijn, indien nog geen vijf jaar zijn verstreken na het faillissement. Daarbij komt dat in de onderhavige gevallen er in de periode van de melding betalingsonmacht op 25 juli 1995 tot aan de aansprakelijkstelling bij de primaire besluiten van 18 februari 1997 geen periode valt aan te wijzen, waarin gedaagde onnodig lang heeft stilgezeten.

Voorts treft naar het oordeel van de Raad ook het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel geen doel. Volgens de Raad kon gedaagde ondanks het aanbieden van excuses voor de onduidelijkheid, die blijkbaar bij appellanten omtrent het inzenden van de stukken als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de CSV was ontstaan, tot de onderhavige aansprakelijkstellingen overgaan.

De Raad ziet in het nadere standpunt van gedaagde met betrekking tot de hoogte van de aansprakelijkstellingen aanleiding om met vernietiging van de aangevallen uitspraak en de bestreden besluiten voor zover het de hoogte van de aansprakelijkstellingen betreft, en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de bedragen van de aansprakelijkstellingen overeenkomstig het verzoek van gedaagde vast te stellen op f 308.172,49 (€ 139.842,58).

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden vastgesteld op € 1.288,--.

De Raad stelt tot slot vast dat de door appellanten in beroep en in hoger beroep gestorte griffierechten door gedaagde dienen te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt de bestreden besluiten voor zover het de hoogte van de aansprakelijkstellingen betreft;
Bepaalt de hoogte van de aansprakelijkstellingen op een bedrag van f 308.172,49 (€ 139.842,58);
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uwv;
Verstaat dat het Uwv aan appellanten de gestorte rechten van € 127,06 (f 280,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 september 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x