Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO0386
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-11-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijkaansprakelijkstelling voor de premieachterstand sociale werknemersverzekeringen. Medeverantwoordelijkheid voor het wanbeleid van de mededirecteur. Verlaging van de opgelegde boete met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/3988 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 12 oktober 1998 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 mei 1998, waarbij appellant op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet sociale verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [naam B.V.] verschuldigde, doch niet betaalde premie voor de sociale werknemersverzekeringen over de jaren 1994 tot en met 1996, alsmede de over 1995 verschuldigde boete tot een totaal bedrag van f 95.079,-- (€ 43.144,97), ongegrond verklaard.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 29 mei 2000 het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd in zoverre appellant daarbij aansprakelijk is gesteld voor de premies over 1996 en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit voor dit deel in stand blijven.

Namens appellant is mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 28 november 2000 aangevoerde gronden van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, dat op 10 februari 2003 bij de Raad is ingekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 augustus 2003, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van zijn raadsman mr. Martens, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad verwijst voor de in dit geding relevante feiten, die door partijen niet worden betwist, naar hetgeen in de aangevallen uitspraak is vermeld, en stelt vast dat hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd tegen zijn aansprakelijkstelling als bestuurder op basis van artikel 16d van de CSV in essentie een herhaling vormt van hetgeen reeds in bezwaar en in de beroepsfase naar voren is gebracht. De strekking van de hieraan door de rechtbank gewijde overwegingen en het hieraan verbonden oordeel, bezien in het licht van het wettelijke toetsingskader dat door de rechtbank juist is gehanteerd en de vaste rechtspraak van de Raad waarnaar in de aangevallen uitspraak is verwezen, kan de Raad onderschrijven.

Met de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat appellant zich in het kader van de onderhavige aansprakelijkstelling niet kan disculperen door erop te wijzen dat zijn mededirecteur [naam mededirecteur] wanbeleid heeft gevoerd. Appellant moet voor dit wanbeleid ingevolge zijn medebestuurderschap medeverantwoordelijk worden gehouden. Een bestuurder kan zich niet aan zijn verantwoordelijkheid onttrekken door te stellen dat hij niet met het financiële beleid van doen heeft gehad. Hij miskent dan de collectieve verantwoordelijkheid die bestuurders hebben voor het bestuur van de onderneming.

Ook het beroep dat appellant heeft gedaan op de uitkomst van de zaak Taxi Tak B.V. kan appellant naar het oordeel van de Raad niet baten. Gedaagde heeft ter zitting aangegeven in welk opzicht de onderhavige zaak verschilt van die zaak en hieraan toegevoegd dat ook coulance jegens appellant een rol gespeeld heeft. Ook in dit opzicht kan de aangevallen uitspraak stand houden.

Ter zitting heeft appellant er op doen wijzen dat uit de specificatie, gevoegd als bijlage bij de brief van gedaagde van 19 februari 1998 waarin het voornemen tot aansprakelijkstelling is neergelegd, van de totale vordering op appellant blijkt dat ten onrechte een bedrag van f 203,-- (€ 92,12) terzake van de afrekening 1992 in de aansprakelijkstelling is betrokken. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Uit het besluit blijkt immers dat het bedrag aan onbetaald gebleven premies waarvoor appellant aansprakelijk is gesteld f 91.228,-- (€ 41.397,46) bedraagt. De specificatie wijst dit ook uit. Hiervan maakt genoemd bedrag van f 203,-- geen deel uit.

De Raad kan appellant voorts niet volgen in zijn standpunt dat de rechtbank gehouden geweest zou zijn met het oog op de gegrondverklaring van het beroep in zoverre dit de aansprakelijkstelling voor premies over 1996 betreft, opdracht aan gedaagde te geven om terzake een nieuw besluit te nemen. De rechtbank kwam immers tot gegrondverklaring van het beroep, omdat het bestreden besluit in dit opzicht niet juist gemotiveerd was. De motivering die wel juist was geweest, namelijk die welke gedaagde in zijn verweerschrift bij het beroep in eerste aanleg heeft gemeld hierop neerkomend dat uitgaand van een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht voor 1996, voldoende aannemelijk is gemaakt door gedaagde dat de niet-betaling van premies is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van appellant, is door de rechtbank onder verwijzing naar het relevante feitencomplex terzake van de premiejaren 1994 en 1995 onderschreven. Daarom stond het de rechtbank vrij de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit onder toepassing van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht in stand te laten.

De grief dat het oordeel van de rechtbank wat de aansprakelijkheid voor onbetaald gebleven premie terzake van 1996 betreft, gebaseerd is op een verwijzing naar het feitencomplex van de jaren 1994 en 1995 leidend tot de kwalificatie kennelijk onbehoorlijk bestuur, kan evenmin doel treffen. Dit feitencomplex uit 1994 en 1995 heeft immers ook zijn uitstraling naar het premiejaar 1996.

Ten slotte overweegt de Raad terzake van de grief van appellant inzake de aansprakelijkstelling van appellant terzake van de opgelegde verhoging als bedoeld in artikel 12 van de CSV betreffende het premiejaar 1995 het volgende.

Appellant is van mening dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden.

De Raad moet vaststellen dat tussen het moment van bekend worden bij appellant dat hij aansprakelijk werd gesteld voor de hiervoor genoemde verhoging - zijnde het tijdstip van ontvangst van de brief van 19 februari 1998 - en het moment van definitieve beslechting van het geschil met deze uitspraak reeds ruim 5,5 jaar zijn verstreken. Dit gegeven leidt er toe dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De Raad vindt hierin aanleiding om de opgelegde boete met 10% te matigen.

Het vorenstaande leidt er toe dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven voor zover deze betrekking hebben op het in de aansprakelijkstelling begrepen bedrag aan boete betreffende het jaar 1995, terwijl de aangevallen uitspraak voor het overige in stand kan blijven.

De Raad ziet aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Derhalve moet beslist worden als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarin het beroep tegen de aansprakelijkstelling betrekking hebbend op de boete over het jaar 1995 ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond, en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat het in de aansprakelijkstelling begrepen bedrag aan boete over het jaar 1995 vastgesteld wordt op € 1.572,76;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het betaalde recht van in totaal € 102,10 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. S.K. Welbedacht als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 november 2003.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x