Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO1127
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-12-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn betrokkenen terecht op grond van artikel 16d van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door de vennootschap verschuldigde, doch niet betaalde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten over het jaar 1992?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/1286 CSV en 01/1287 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant 1], wonende te [woonplaats], appellant, hierna: [appellant 1],
[appellant 2], wonende te [woonplaats], appellant, hierna: [appellant 2],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 24 maart 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 1] tegen het besluit van 21 september 1998, waarbij hij op grond van artikel 16d van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [naam B.V.] verschuldigde, doch niet betaalde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten over het jaar 1992, zulks ten bedrage van f 4.583,27.

Bij besluit van 24 maart 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 2] tegen het besluit van 9 oktober 1998, waarbij hij op grond van artikel 16d van de CSV hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [naam B.V.] verschuldigde, doch niet betaalde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten over het jaar 1992, zulks ten bedrage van f 4.583,27.
De rechtbank Amsterdam heeft bij afzonderlijke uitspraken van 10 januari 2001 de door [appellant 1] en namens [appellant 2] tegen die besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

[Appellant 1] is mede namens [appellant 2], voor wie hij als gemachtigde optreedt, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft in beide zaken verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 25 november 2003, waar [appellant 1] en [appellant 2], met schriftelijk bericht, niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich, hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen, na voorafgaande telefonische kennisgeving, niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat hij zich door de beschikbare processtukken voldoende voorgelicht acht om in het hoger beroep te beslissen, en deswege in de omstandigheid dat gedaagde zich ter zitting, hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen, wegens bijzondere omstandigheden niet heeft laten vertegenwoordigen, geen aanleiding heeft gezien het onderzoek in de gedingen te heropenen.

[Appellant 1] was van 1 oktober 1992 tot 5 maart 1993 bestuurder van [naam Holding], welke van 26 april 1991 tot 5 maart 1993 bestuurder was van [naam B.V.] (hierna: de vennootschap). [appellant 2] was volgens gedaagde in de periode van 1 januari 1992 tot 12 maart 1993 feitelijk beleidsbepaler als ware hij bestuurder van de vennootschap. Per 12 maart 1993 is de vennootschap in staat van faillissement verklaard.

Bij besluiten van 21 september 1998 en 9 oktober 1998 zijn [appellant 1] en [appellant 2] aansprakelijk gesteld voor de niet betaling van onbetaald gebleven premies ten bedrage van f 4.583,27.

Het bij de bestreden besluiten van 24 maart 1999 ingenomen subsidiaire standpunt, dat anders dan het primaire standpunt door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak is onderschreven, houdt in dat [appellant 1] noch [appellant 2] er in zijn geslaagd het wettelijk vermoeden te weerleggen dat het onbetaald blijven van de door de vennootschap verschuldigde premie het gevolg is van aan hen te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.

[Appellant 1] en [appellant 2] stellen in hoger beroep dat zij er wel in geslaagd zijn het wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur te weerleggen, dat de besluitvorming van gedaagde op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat [appellant 1] pas is aangetreden nadat de vennootschap in gebreke was, dat beiden geen weet hadden, noch konden hebben van de vordering, dat de vordering is verjaard alsmede dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Met betrekking tot [appellant 2] is daaraan nog toegevoegd dat hij, tot aan de dag waarop het beroepschrift is ingediend, in staat van faillissement heeft verkeerd, zodat de vordering van gedaagde op [appellant 2] bij de curator had moeten worden ingediend.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 16d, eerste lid, van de CSV is hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het lichaam als bedoeld in het eerste lid verplicht is onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling te doen aan het uitvoeringsorgaan en, indien het uitvoeringsorgaan dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen.
Indien het lichaam op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is ingevolge het derde lid van artikel 16d van de CSV een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de premie of de voorschotpremie het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaand aan het tijdstip van de mededeling.
Op grond van het vierde lid is, indien het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, een bestuurder op voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk met dien verstande, dat vermoed wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten, en dat de periode van drie jaar wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van dit vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan.

De Raad stelt vast dat blijkens de inschrijving in het handelsregister [appellant 1] van 1 oktober 1992 tot 5 maart 1993 bestuurder was van de vennootschap, en dat in hoger beroep niet meer is weersproken dat [appellant 2] in de periode van 1 januari 1992 tot 12 maart 1993 feitelijk beleidsbepaler van de vennootschap was.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat [appellant 1] noch [appellant 2] het hierboven vermelde vermoeden hebben weten te weerleggen.
Voor de Raad staat genoegzaam vast dat op 1 oktober 1992, toen [appellant 1] als bestuurder aantrad, sprake was van een vordering van gedaagde op de vennootschap wegens onbetaald gebleven premies van f 4.583, 27. De Raad leidt dit af uit het feit dat de vennootschap op 29 september 1992 melding deed van betalingsonmacht als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de CSV ter zake van een nog openstaand bedrag van de voorschotnota 1992, alsmede uit de zich onder de gedingstukken bevindende specificatie van het nog te vorderen bedrag van de incassoafdeling van gedaagde. Uit de verslagen van de besprekingen van 17 september 1992 en 29 september 1992 aangaande het Advideo-concern, waarvan de vennootschap deel uitmaakte, blijkt dat zowel [appellant 1] als [appellant 2] daarbij aanwezig waren. De Raad leidt daaruit af dat beiden van de premievordering op de hoogte waren, dan wel konden zijn. Daarbij komt dat [appellant 2] als feitelijk beleidsbepaler ten tijde hier van belang verantwoordelijk was voor het (financiŰle) beleid van de vennootschap. Aan deze verantwoordelijkheid kan een feitelijk beleidsbepaler zich niet onttrekken door zich afzijdig te houden van het bestuur van die rechtspersoon. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat in de periode hier in geding sprake is geweest van gedragingen die kunnen worden gekwalificeerd als kennelijk onbehoorlijk bestuur. Tot die gedragingen rekent de Raad handelingen die de vennootschap heeft verricht, waaronder het overdragen van een vordering van de vennootschap op een derde op 12 oktober 1992 van f 1.242.288,--, die de boedel hebben benadeeld, en die mede tot gevolg hebben gehad dat de premieschuld onbetaald is gebleven. Met betrekking tot [appellant 1] deelt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 3 juli 2003, gepubliceerd in USZ 2003/281, mee dat hij eveneens aansprakelijk kon worden gesteld voor de premies die betrekking hebben op de periode voordat hij als bestuurder werd benoemd. In dit verband overweegt de Raad dat er ten tijde van de benoeming van [appellant 1] als bestuurder in de vennootschap nog voldoende geld aanwezig was om de premieschuld te betalen, terwijl niet is gebleken dat [appellant 1] in de onmogelijkheid verkeerde om maatregelen te treffen om de schuld alsnog te voldoen.

Met betrekking tot de grief dat gedaagde onzorgvuldig zou hebben gehandeld overweegt de Raad dat hij niet vermag in te zien dat gedaagde in het onderhavige geval bij de voorbereiding van zijn besluiten geen gebruik had mogen maken van de faillissementsverslagen, het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 december 1996 naar aanleiding van de tegen [appellant 1] en [appellant 2] geŰntameerde strafrechtelijke procedure en het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 1998.

Met betrekking tot de gestelde verjaring wijst de Raad er op dat artikel 16d (evenals artikel 16c) van de CSV, in expliciete afwijking van de artikelen 16a en 16b van de CSV, het bepaalde in artikel 13 van de CSV niet van overeenkomstige toepassing verklaart. Aangezien artikel 16d geen eigen verjaringstermijn bevat voor de aansprakelijkstelling van de bestuurder, kan niet gezegd worden dat de mogelijkheid tot aansprakelijkstelling op 21 september 1998 en 9 oktober 1998 als gevolg van verjaring teniet is gegaan.
De Raad markeert daarbij dat verjarings- en vervaltermijnen in het algemeen beogen de rechtszekerheid te dienen. Wanneer - bij het ontbreken van een verjarings- of vervaltermijn - een uitvoeringsorgaan evenwel zonder noodzaak te lang talmt met een aansprakelijkstelling, kan een dergelijk talmen onder omstandigheden in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Raad stelt onder verwijzing naar zijn uitspraak van 27 maart 2003, onder andere gepubliceerd in RSV 2003/108, vast dat tussen het moment waarop het faillissement is uitgesproken en de data waarop [appellant 1] en [appellant 2] aansprakelijk zijn gesteld, te weten 21 september 1998 en 9 oktober 1998, weliswaar meer dan vijf jaar zijn verstreken, doch dat in de periode van de melding betalingsonmacht op 29 september 1992 tot aan de data waarop [appellant 1] en [appellant 2] aansprakelijk zijn gesteld geen periode valt aan te wijzen, waarin gedaagde onnodig lang heeft stilgezeten.

Verder overweegt de Raad met betrekking tot de grief dat door gedaagde de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM zou zijn overschreden het volgende. Zoals de Raad reeds meerdere keren heeft overwogen, gaat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM lopen als sprake is van een geschil, dat wil zeggen dat - tenminste - een standpunt van, in casu, het bestuursorgaan kenbaar is, terzake waarvan mag worden aangenomen, of duidelijk is gemaakt, dat de wederpartij het daarmee niet eens is en zich daartegen in rechte wil verzetten. Daarvan is in casu sprake op 28 oktober 1998 en op 9 oktober 1998, zijnde de momenten dat appellanten bezwaar maakten tegen de (primaire) aansprakelijkstelling. Uitgaande van laatstgenoemde data als aanvangsmomenten is naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Ten slotte overweegt de Raad dat het faillissement van [appellant 2] niet betekent dat hij niet meer op grond van artikel 16d van de CSV persoonlijk aansprakelijk zou kunnen worden gesteld. Voor de invordering dient gedaagde zich echter tot de curator te wenden.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x