Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO2041
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-12-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft het UWV de geldswaarde van de door het betrokken bedrijf in de jaren 1991 tot en met 1995 aan haar werknemers verstrekte vakantiebonnen terecht op 100% van de nominale waarde gesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/2991 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolgde de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft G. van den Oever, verbonden aan Accountants en Belastingadviseurs Berk te Kampen, op in een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zwolle op 17 april 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 november 2003, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door G. van den Oever en gedaagde door mr. L.M. Kos, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij brief van 13 december 1996 heeft gedaagde aan appellante onder meer meegedeeld dat naar aanleiding van een op 9 december 1996 gehouden looncontrole een correctie heeft plaatsgevonden met betrekking tot het jaar 1991 in verband met het onvoldoende aanschaffen van vakantiebonnen. Bij brief van 10 januari 1997 is aan appellante voorts meegedeeld dat gedurende de jaren 1991 tot en met 1995 onvoldoende vakantiebonnen zijn aangeschaft dan wel niet bij elke loonbetaling zijn verstrekt, en dat binnenkort correctienota's zullen worden toegezonden. Op 19 december 1996, 21 januari 1997 en 19 februari 1997 zijn aan appellante correctienota's opgelegd over respectievelijk 1991, 1992 tot en met 1994 en 1995. Bij besluit van 2 mei 1997 heeft gedaagde de namens appellante tegen de opgelegde correctienota's gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellante tegen het besluit van 2 mei 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij was van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat appellante niet heeft gehandeld conform de bij CAO gemaakte afspraken omtrent de verstrekking van vakantiebonnen, en dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Zij oordeelde voorts dat hetgeen is aangevoerd met betrekking tot het beheer van de vakantiebonnen appellante niet kan baten, omdat het beheer van vakantiebonnen niet kan worden gelijkgesteld met het verstrekken daarvan.

Namens appellante is de juistheid van dit oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of gedaagde de geldswaarde van de door appellante in de jaren 1991 tot en met 1995 aan haar werknemers verstrekte vakantiebonnen terecht op 100% van de nominale waarde heeft gesteld.

Het wettelijk kader voor de beantwoording van deze vraag wordt gevormd door artikel 8 van de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekering (CSV), welk artikel ziet op de waardering van niet in geld genoten loon, en door de krachtens het tweede lid van dat artikel gegeven ministeriŽle regeling inzake Vaststelling geldswaarde aanspraak op uitkeringen van 3 september 1954, Stcrt. 173, zoals deze regeling gold in de hiervoor vermelde jaren. Ingevolge die regeling wordt, indien bij publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst is voorzien in vakantiebonnen, voor de berekening van het loon waarnaar de premies op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Ziekenfondswet worden geheven, de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen gesteld op 75% van de waarde van die bonnen.

Blijkens de in het onderhavige geval toepasselijke CAO voor de Landbouw exploiterende ondernemingen is de werkgever verplicht bij iedere loonbetaling vakantiebonnen te verstrekken. Zoals ook uit het besluit van 2 mei 1997 blijkt, heeft gedaagde het ten aanzien van gevallen, waarin de verstrekking van vakantiebonnen niet op de voorgeschreven wijze geschiedde, gevoerde - soepele - beleid in juli 1987 gewijzigd en ingaande 1991 verder aangescherpt. Hieraan is bekendheid gegeven door middel van ASF-informatiekranten en de GUO-info. Volgens het vanaf 1991 gevoerde beleid werd in het geval dat een werkgever met een lagere frequentie dan eenmaal per drie maanden vakantiebonnen aan de werknemers verstrekt direct tot sanctionering overgegaan, in die zin dat de volledige vakantiebon als premieplichtig loon wordt aangemerkt en dat alsnog de lage franchise WAO wordt toegepast op deze vakantiebonwaarde.

Appellante heeft ter onderbouwing van haar primaire stelling dat het door haar gehanteerde systeem in overeenstemming met de regels is onder meer aangevoerd dat zij al jarenlang om praktische redenen de vakantiebonnen tevoren inkocht en de vakantiebonnen voor het personeel beheerde. Zoals blijkt uit de door appellante overgelegde verklaringen van enkele werknemers, is door deze werknemers aan appellante verzocht de bonnen per loonbetaling te beheren, te bewaren en op verzoek aan hen te overhandigen.

De Raad kan appellante in dit betoog niet volgen. Naar de Raad bij herhaling heeft uitgesproken, is slechts plaats voor toepassing van de hiervoor vermelde ministeriŽle regeling indien de vakantiebonnen bij iedere loonbetaling zijn verstrekt. Nu appellante slechts tweemaal per jaar vakantiebonnen aan haar werknemers verstrekte, is daarvan in dit geval geen sprake. Hetgeen appellante over het beheer van de vakantiebonnen naar voren heeft gebracht maakt dit niet anders. Gelet op de frequentie waarmee appellante de vakantiebonnen heeft verstrekt, doet zich in haar geval geen situatie voor waarin op grond van het door gedaagde gevoerde beleid met een waarschuwing kon worden volstaan.

Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen, reeds omdat niet is komen vast te staan dat aan appellante op enig moment schriftelijk en ondubbelzinnig is meegedeeld dat de door haar gevolgde werkwijze bij de aankoop en de verstrekking van vakantiebonnen zou worden geaccepteerd.
De Raad voegt hieraan toe dat appellante gezien de publicaties waarin van de zijde van gedaagde bekendheid is gegeven aan de hiervoor vermelde ministeriŽle regeling en het door gedaagde gevoerde beleid op de hoogte kon zijn van de ter zake relevante regelgeving. In verband hiermede zal de Raad in het midden laten of appellante kennis heeft genomen van de naar aanleiding van een in 1987 uitgevoerde looncontrole in een brief van 28 augustus 1987 vervatte mededeling dat zij zich niet hield aan de verplichting om bij iedere loonbetaling vakantiebonnen te verstrekken en dat bij herhaling een volledige belasting van de vakantiebonnen zou plaatsvinden.

Uit het voorgaande volgt, dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagedoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2003.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A.H. Hagedoorn-Huls.




Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde tot en met achtste lid, 4 tot en met 8 en de op die artikelen berustende bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x