Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO2792
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De rechtbank verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk omdat een aankondiging van aanvullende premienota's geen (appellabel) besluit gericht op rechtsgevolg is.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/3922 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is T.B.G. van Dillen, werkzaam bij Van Dillen Consultancy B.V. te Hoogland, op bij aanvullend beroepschrift van 28 augustus 2001 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen tegen een door de rechtbank Haarlem onder dagtekening van 19 juni 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 11 september 2001 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 27 november 2003, waar voor appellante is verschenen T.B.G. van Dillen voornoemd. Zoals aangekondigd heeft gedaagde zich niet doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden.

Naar aanleiding van een bij appellante uitgevoerde looncontrole heeft gedaagde bij schrijven van 2 december 1999 appellante medegedeeld dat daarbij is geconstateerd dat er loonbetalingen niet dan wel niet juist zijn geadministreerd en dat appellante binnenkort een aanvullende premienota over 1994 tot en met 1998 tegemoet kan zien. Appellante heeft hiertegen op 9 december 1999 bezwaar gemaakt. De aanvullende premienota's over de desbetreffende jaren zijn op 13 december 1999 aan appellante verzonden.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante impliciet mede gericht geacht tegen die aanvullende premienota's en heeft hierop bij beslissing op bezwaar van 6 december 2000 inhoudelijk afwijzend beslist.

In beroep heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 2 december 1999 niet als besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt omdat deze niet op rechtsgevolg is gericht. De rechtbank heeft hiervoor in aanmerking genomen dat de brief een constatering bevat ten aanzien van de loonadministratie van appellante, terwijl de rechtsgevolgen daarvan voor appellante eerst zijn ontstaan door het verzenden van de aanvullende premienota's op 13 december 1999. De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 2 december 1999 op zichzelf niet als besluit is aan te merken en derhalve niet vatbaar is voor bezwaar of beroep als bedoeld in artikel 7:1 Awb. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de wet en met toepassing van artikel 8: 72 Awb het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich gekeerd tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar. Hiertoe is - kort samengevat - betoogd dat het zowel voor appellante als gedaagde duidelijk was dat het bezwaar zich richtte tegen de aanvullende premienota's van 13 december 1999; dit is ook als zodanig uitdrukkelijk vermeld in het bestreden besluit.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de in de brief van 2 december 1999 vervatte constatering dat appellante over 1994 tot en met 1998 loonbetalingen niet of niet juist heeft geadministreerd en dat zij binnenkort een aanvullende premienota over die jaren tegemoet kan zien, niet is gericht op enig rechtsgevolg. Een rechtsgevolg is eerst verbonden aan de aanvullende premienota's die op 13 december 1999 aan appellante verzonden zijn. Anders dan door appellante is betoogd, is de Raad voorts van oordeel dat gezien de bewoordingen ervan het bezwaar van appellante niet is gericht tegen die aanvullende premienota's.

Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt derhalve als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x