Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO5066
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-02-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De termijnoverschrijding is veroorzaakt doordat gedaagde heeft verzuimd het UWV een adreswijziging te doen toekomen. Van betrokkene had mogen worden verwacht dat hij het UWV in kennis had gesteld van zijn verhuizing.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/3194 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 30 januari 2002 heeft appellant de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 8 november 2000 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 13 augustus 2003 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder dagtekening 26 mei 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. A. Müller, advocaat te Tilburg, bij schrijven van 12 september 2003 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 januari 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.J. de Graaf en als medegemachtigde is verschenen mr. D.B. Smaalders, beiden werkzaam bij appellant. Gedaagde is, na voorafgaand schriftelijk bericht, niet verschenen.




II. MOTIVERING


Het besluit van 8 november 2000 is aangetekend verzonden naar het bij appellant bekende adres van [adres]s ] te [plaatsnaam]. Gedaagde stond volgens de gemeentelijke basisadministratie op dit adres ingeschreven. Op 10 november 2000 is het poststuk door de PTT geretourneerd. Vervolgens is het besluit van 8 november 2000 op 13 november 2000 verzonden naar een postbusnummer te [woonplaats], waarnaar het eveneens retour is ontvangen. Naar aanleiding van de aanmaningsbrief van 6 december 2000, die eveneens naar de [adres] te [plaatsnaam] is verzonden, verzoekt gedaagde bij brief van 2 januari 2001, met vermelding van het correcte adres van gedaagde, aan appellant om toezending van de eerdere brieven. Voor het feit dat de aanmaningsbrief gedaagde wel heeft bereikt, heeft hij verklaard dat hij met enige regelmaat nog post ophaalt op de [adres] te [plaatsnaam].
Appellant heeft bij brief van 8 januari 2001 een afschrift van het besluit van 8 november 2000 aan gedaagde doen toekomen. Bij brief van 17 januari 2001 heeft gedaagde bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 november 2000.
Bij beslissing op bezwaar van 30 januari 2002 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift.

De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu appellant het besluit van 8 november 2000 retour heeft ontvangen met de mededeling "vertrokken", het besluit toen niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De bekendmaking in de zin van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft eerst op 8 januari 2001 plaatsgevonden door toezending van het besluit aan gedaagde op het adres [adres] te [woonplaats].

De Raad kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en overweegt het volgende.

Op grond van artikel 6:8 van de Awb vangt de in artikel 6:7 vermelde termijn van zes weken aan met ingang van de dag waarop dat besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41 van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Nu het besluit van 8 november 2000 is verzonden naar het adres waarvan appellant mocht uitgaan dat op dat adres gedaagde woonachtig was, is dit besluit bekend gemaakt in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb en heeft de termijn waarbinnen gedaagde een beroepschrift had kunnen indienen, een aanvang genomen op de dag na die waarop dit besluit aan hem is toegezonden. Deze termijn heeft gedaagde niet in acht genomen.

Het vorenstaande brengt mee dat voor het antwoord op de vraag of de termijnoverschrijding met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar is, niet beslissend is of gedaagde zo spoedig mogelijk nadat hij alsnog in kennis was gesteld van het besluit van 8 november 2000 bezwaar heeft gemaakt. Beslissend kunnen slechts zijn niet aan gedaagde toe te rekenen feiten en omstandigheden, ten gevolge waarvan hij niet binnen de termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt. Van zodanige feiten en omstandigheden is de Raad niet gebleken. De termijnoverschrijding is veroorzaakt doordat gedaagde heeft verzuimd appellant een adreswijziging te doen toekomen. Van gedaagde had verwacht mogen worden dat hij appellant in kennis had gesteld van zijn verhuizing naar [woonplaats], ook indien hij op een camping is gaan wonen.
In casu is naar het oordeel van de Raad sprake van een aan gedaagde alleszins toe te rekenen omstandigheid waardoor het bezwaar te laat is ingediend.

Op grond van het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak.
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x