Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO5486
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in eerste aanleg wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Het betrokken bedrijf had niet zonder meer kunnen en moeten afgaan op telefonische mededelingen van een medewerker van de griffie.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3770 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

Co÷peratieve Vereniging [naam vereniging], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. T.A.N. Wijnhof, accountant bij Borrie & Co Accountants, op bij beroepschrift van 29 juli 2003 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 22 juli 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 03/598 CSV, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 20 augustus 2003 zijn namens appellante nog nadere stukken overgelegd.

Gedaagde heeft bij schrijven van 16 september 2003 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 januari 2004, waar namens appellante is verschenen mr. T.A.N. Wijnhof. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door W.F.K. ter Hennepe, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de rechtbank het beroep van appellante bij uitspraak van 22 juli 2003 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het feit dat appellante bij het instellen van beroep de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken, niet in acht heeft genomen, en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De termijn voor het instellen van beroep eindigde op 4 februari 2003 en appellante heeft op 5 februari 2003 per faxbericht beroep ingesteld. Van omstandigheden waardoor niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven op grond van artikel 6:11 van de Awb is de rechtbank niet gebleken.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat op 4 februari 2003 telefonisch contact is opgenomen met de rechtbank met de vraag of een op die dag verzonden beroepschrift als tijdig zou worden aangemerkt. Een medewerkster van de rechtbank zou aan appellante hebben medegedeeld dat er als gevolg van de feestdagen tot en met 7 februari 2003 gelegenheid was om een beroepschrift in te dienen. Op grond daarvan zou volgens appellante met toepassing van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring achterwege moeten blijven.

Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De Raad stelt vast dat de beslissing op bezwaar een juiste rechtsmiddelenclausule bevat, waaruit appellante kan afleiden dat de beroepstermijn liep tot en met 4 februari 2003. In dat licht bezien had appellante niet zonder meer kunnen en moeten afgaan op telefonische mededelingen van een medewerker van de griffie, waarbij de Raad in het midden laat of die informatie heeft geleid als door appellante is gesteld. Zo er door de aard en inhoud verstrekte informatie twijfel zou - kunnen - zijn ontstaan omtrent de laatste dag van de beroepstermijn, had dit appellante er niet van hoeven te weerhouden zekerheidshalve op 4 februari 2003 een pro-formaberoepschrift in te dienen. Ook overigens is de Raad niet gebleken van gronden waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

Gelet op het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
Beslist wordt dan ook als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2004.

(get). B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x