Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO5492
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn de bepalingen over verjaring uit het BW van toepassing op vorderingen volgend op hoofdelijkaansprakelijkheidstelling voor premieschulden?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/5346 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 30 augustus 2000 is ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 december 1999, waarbij appellant onder toepassing van artikel 16c, eerste lid onder a, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) aansprakelijk is gesteld voor de door [naam bedrijf] onbetaald gelaten (voorschot)premies over de jaren 1993 en 1994 ten bedrage van f 71.842,58.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 10 september 2001, reg.nr. 00/11345 CSV, het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. A.J. van Steensel, advocaat te 's-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 januari 2004, waar voor appellant is verschenen mr. Van Steensel, en waar gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.A. Koenders, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft appellant in de periode van 3 september 1993 tot 2 juni 1994 aangemerkt als de leider van de vaste inrichting binnen het Rijk, dan wel de vertegenwoordiger dan wel als degene die de leiding heeft van de hier te lande verrichte werkzaamheden, en appellant op grond van artikel 16c, eerste lid, onder a van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door [naam bedrijf] nog verschuldigde premies.

In het aanvullend beroepschrift is de aansprakelijkstelling bestreden met de stelling dat de aansprakelijkstelling is verjaard op grond van de ter zake toepasselijke bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder is gesteld dat gedaagde met de aansprakelijkstelling onnodig lang heeft getalmd, zodat de beginselen van behoorlijk bestuur aan de aansprakelijkstelling in de weg staan. Ten slotte is namens appellant aangevoerd dat hij de hoogte van het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld niet heeft kunnen verifiëren.

Eerst ter zitting heeft appellant aangevoerd dat er geen sprake is van een "niet in Nederland gevestigde werkgever" en dat gedaagde eerst [BV X.], welke onderneming [naam bedrijf] volledig zou hebben overgenomen, aansprakelijk had moeten stellen.

De Raad stelt voorop dat laatstgenoemde grieven tardief zijn ingebracht en mede uit een oogpunt van een goede procesorde niet verder in beschouwing genomen kunnen worden.

Met betrekking tot de in het aanvullend beroepschrift aangevoerde stellingen overweegt de Raad het volgende.

Met betrekking tot appellantes beroep op verjaring stelt hij, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 20 mei 1996, gepubliceerd in RSV 1996/231 voorop, dat artikel 13 van de CSV, waarin voorzover hier van belang is bepaald dat premie niet meer wordt vastgesteld, indien meer dan vijf jaren zijn verstreken sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premie verschuldigd is geworden, in artikel 16c van de CSV, in expliciete afwijking van de artikelen 16a en 16b van de CSV, niet van overeenkomstige toepassing is verklaard.

Appellant is echter van mening dat, zo artikel 13 van de CSV niet van toepassing is, de verjaringsbepalingen van het BW, met name artikel 3:308 BW, van overeenkomstige toepassing zijn. In dit verband heeft hij gesteld dat de premie over 1993 op 28 oktober 1994 verschuldigd en opeisbaar was en dat de premie over 1994 op 28 november 1994 verschuldigd en opeisbaar was. Door appellant eerst bij besluit van 27 december 1999 aansprakelijk te stellen is de mogelijkheid om appellant aansprakelijk te stellen verjaard.

De Raad verwerpt deze grief. De Raad is van oordeel dat hoewel het te dezen gaat om een uit de wet voortvloeiende aansprakelijkheid, voor het ontstaan van een rechtsvordering als bedoeld in artikel 3:308 BW op appellant in zijn hoedanigheid als leider van een vaste inrichting, een besluit op grond van artikel 16c van de CSV vereist is, en dat de in boek 3 van het BW neergelegde termijnen geen betrekking hebben op de periode die voorafgaat aan een dergelijk besluit. Van verjaring is dan ook reeds hierom geen sprake.

Dit laatste neemt evenwel niet weg dat, zoals de Raad meermalen heeft overwogen, in het geval het bestuursorgaan zonder noodzaak te lang talmt met een aansprakelijkstelling, een dergelijk talmen in strijd kan komen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dan wel met het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht op rechtspraak binnen een redelijke termijn.
De Raad stelt vast dat vanaf maart 1995, toen gedaagde op de hoogte was van de overname van [naam bedrijf], er voor gedaagde aanleiding was om appellant aansprakelijk te stellen. Na dat tijdstip is er ruim 4,5 jaar verstreken alvorens gedaagde appellant bij besluit van 27 december 1999 aansprakelijk heeft gesteld.
Voor deze lange duur heeft gedaagde geen aannemelijke verklaring kunnen geven. De Raad ziet daarin grond om in het geval van appellant een situatie aanwezig te achten waarin weliswaar sprake is van talmen, doch in het licht van de uitspraak van de Raad van 2 mei 2002, gepubliceerd in USZ 2002/213, niet van een zodanig onnodig talmen dat daaraan met betrekking tot de aansprakelijkstelling van appellant consequenties moeten worden verbonden.

De Raad merkt voorts op dat gedaagde appellant bij brief van 20 juli 2000 een specificatie heeft gezonden van het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Appellant heeft niet onderbouwd aangegeven in hoeverre deze specificatie nog onduidelijkheden bevat, zodat ook de grief over de gestelde onduidelijkheid over de hoogte van het bedrag waarvoor appellant aansprakelijk is gesteld niet kan slagen.

Hangende het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de rechtbank heeft gedaagde in het verweerschrift een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de hoogte van het bedrag waarvoor appellant aansprakelijk is gesteld, in die zin dat het bedrag nader is vastgesteld op f 62.915,84. Daaruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt, alsmede de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten. Gelet op artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de Raad zelf in de zaak voorzien, door het bedrag van de aansprakelijkstelling vast te stellen op f 62.915,84.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wat betreft de hoogte van het bedrag van de aansprakelijkstelling;
Bepaalt het bedrag waarvoor appellant aansprakelijk is gesteld op f 62.915,84;
Bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x