Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO6411
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctienota's over de jaren in geding wegens loonbetalingen aan personeel zonder dat deze in de loonadministratie zijn opgenomen. De premievaststelling vindt ten laste van de VOF plaats, ongeacht de (burgerrechtelijke) rechtsbetrekking tussen haar vennoten. Schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/4185 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant] als firmant in de vennootschap onder firma [naam VOF], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 15 september 1998 heeft gedaagde, voor zover van belang, ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen de over de jaren 1990 tot en met 1992 aan de VOF [naam VOF] (hierna: de VOF) opgelegde correctienota's.

De rechtbank Groningen heeft het tegen het besluit van 15 september 1998 ingestelde beroep bij uitspraak van 19 juni 2001 ongegrond verklaard.

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 29 januari 2004, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de in de aangevallen uitspraak vastgestelde en door partijen niet betwiste feiten.

Appellant erkent dat de op 19 oktober 1990 door [naam oprichter] en appellant opgerichte VOF loonbetalingen heeft gedaan aan personeel zonder dat deze in de loonadministratie zijn opgenomen. Deze betalingen zien voor een deel op aan appellant bekende, in 1990, 1991 en 1992 uitgevoerde bestratingswerkzaamheden. Voor een ander deel gaat het om schilderwerk en ijzervlechten. Uit het tegen de (vennoten van de) VOF ingestelde strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat in de administratie van de VOF valse facturen waren opgenomen ter maskering van kasopnames voor de betaling van "zwarte" lonen.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat andere werkzaamheden dan bestratingswerkzaamheden, behoudens een enkele uitzondering, buiten zijn medeweten in opdracht van [naam oprichter] zijn uitgevoerd buiten de bedrijfsdoelstelling van de VOF zoals deze blijkt uit het handelsregister: "onderaanneming en uitvoeren van bestratings-, drainage- en rioleringswerkzaamheden". Ingevolge artikel 1681 van het Burgerlijk Wetboek zou (de Raad begrijpt: alleen) [naam oprichter] daarvoor zijn gebonden en, dientengevolge, zouden de correctienota's ten onrechte ten laste van de VOF zijn opgelegd.

Die stellingname is door de rechtbank naar het oordeel van de Raad terecht en op goede gronden verworpen; premievaststelling vindt ten laste van de VOF, zijnde de werkgeefster, plaats, ongeacht de (burgerrechtelijke) rechtsbetrekking tussen haar vennoten.

Het betoog dat de afhandeling van het bezwaarschrift onredelijk lang heeft geduurd, waardoor artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is geschonden, heeft de rechtbank onderschreven en dat oordeel is in het hoger beroep niet ter discussie gesteld.

In hoger beroep luidt de klacht van appellant dat de rechtbank desondanks het beroep ongegrond heeft verklaard, daartoe overwegende (waarbij voor eiser appellant en voor verweerder gedaagde moet worden gelezen):

"De rechtbank stelt voorop dat de overschrijding van de redelijke termijn op zich niet afdoet aan de bevoegdheid van verweerder tot premievaststelling. Eventuele processuele nadelen die eiser door de overschrijding heeft ondervonden kunnen worden gecompenseerd door deze mee te wegen bij de vaststelling en invordering van premie en eventueel rente. Daarbij speelt ook de omstandigheid dat eiser gedurende de periode van inactiviteit geen enkele poging in het werk heeft gesteld om verweerder te manen tot afhandeling van het bezwaarschrift een rol. Eiser had immers (...) op grond van artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (...) beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar kunnen stellen".

De rechtbank houdt het er voor dat appellant geen bijzonder belang had bij een voortvarende afwikkeling en komt tot het oordeel dat gedaagde de schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM voldoende compenseert door af te zien van de invordering van wettelijke rente over de vastgestelde premiebedragen.

In zoverre het betoog van appellant er toe strekt dat de schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM aanleiding zou moeten vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit en de (gehele) herroeping van de correctienota's, kan hij daarin in dit geding niet worden gevolgd. Het is immers vaste rechtspraak van deze Raad dat trage besluitvorming als zodanig niet leidt tot het teloorgaan van de bevoegdheid om, met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke termijnen, premies vast te stellen.

De Raad constateert dat de rechtbank met zijn aangevallen uitspraak aansluiting heeft gezocht bij de bestendige jurisprudentie van de Raad omtrent de mate waarin en de wijze waarop in een geval als hier aan de orde compensatie kan worden geboden voor de overschrijding van de in artikel 6, eerste lid, van het EVRM bedoelde redelijke termijn. De Raad verwijst hiervoor bijvoorbeeld naar zijn uitspraak van 3 april 1997, RSV 1997/176 en ziet, in een situatie, die slechts ziet op correctienota's en waarin niet is gesteld dat door de te lange behandelingsduur schade is geleden, thans onvoldoende aanleiding tot andere of verdergaande vergoeding.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x