Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO6428
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene terecht op grond van artikel 16d van de CSV aansprakelijk gesteld voor niet-betaalde premies?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/4678 CSV en 01/4784 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], hierna: belanghebbende,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna: het bestuursorgaan.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 18 maart 1999 heeft het bestuursorgaan ongegrond verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen het besluit van 27 november 1998, waarbij hij op grond van artikel 16d van de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door De Valk Rolluiken en Zonweringen Fabriek B.V. over 1995 en 1996 onbetaald gelaten premies voor de werknemersverzekeringswetten en boeten ten bedrage van in totaal f 50.159,--.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 25 juli 2001 het door belanghebbende tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, voorzover gericht tegen de aansprakelijkstelling voor de boetenota's, het besluit in zoverre vernietigd, het beroep voor het overige ongegrond verklaard en bepaald dat het bestuursorgaan het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.
Belanghebbende is op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden en het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift van 3 oktober 2001 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Het bestuursorgaan heeft een verweerschrift, gedateerd 10 december 2001, ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 februari 2004, waar belanghebbende in persoon is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr. R.P. Bourne, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij de aangevallen uitspraak, waarin belanghebbende is aangeduid als eiser en het bestuursorgaan als verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:

"Tussen partijen is niet in geding dat in dit geval geen melding is gedaan van de betalingsonmacht. Nu verweerder eiser niet op de meldingsplicht heeft gewezen, heeft verweerder eiser toegelaten tot weerlegging van het wettelijk vermoeden dat het niet betalen van de premies een gevolg is van aan eiser te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. In dit geding moet worden beoordeeld of eiser daarin is geslaagd.

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag negatief moet worden beantwoord. Uit de jurisprudentie valt af te leiden dat kennelijk onbehoorlijk bestuur in de praktijk met name wordt gezocht in onregelmatigheden op het vlak van de loonadministratie en afdracht van premies en belastingen. Die onregelmatigheden moeten een bepaalde omvang hebben gehad en er moet een zekere mate van opzet aanwezig zijn geweest. Voorts moet een causaal verband aannemelijk zijn tussen de gewraakte bestuurshandelingen en de niet-betaling van premies en belastingen.

Verweerder heeft in dit kader gewezen op het boekenonderzoek dat op 25 november en 9 december 1997 is verricht en waarvan de bevindingen zijn neergelegd in de faillissementsonderzoeksrapportage van 10 december 1997. Hieruit is naar voren gekomen dat bij het bedrijf de loonadministratie ontbrak, dat er voor de jaren 1994, 1995 en 1996 geen jaarrekening is ingediend of openbaar is gemaakt, en dat uit het grootboek over de jaren 1995 en 1996 blijkt dat de brutolonen hoger waren, dan waarop door het GAK is afgerekend.

Eiser heeft hier slechts tegenin gebracht dat er wel een (correcte) loonadministratie is bijgehouden en dat de administrateur dat ook wil verklaren. Nu uit het faillissementrapport ondubbelzinnig blijkt dat er bij de looncontrole geen loonadministratie is aangetroffen, had het op de weg van eiser gelegen de administrateur afschriften van deze administratie te laten verzorgen, althans met stukken te komen waaruit zou kunnen blijken dat reden is om aan de bevindingen van het looncontrolerapport te twijfelen. Het betoog van eiser inzake het ontbreken van jaarstukken is beperkt tot het jaar 1994, waarover geen jaarrekening hoefde te worden opgesteld omdat de B.V. slapende was. Op de overige jaren die hier in geding zijn is hij niet ingegaan. Ten aanzien van de geconstateerde afwijkingen in de loonopgaven heeft eiser aangevoerd dat de nota's van het Gak niet juist waren en moesten worden gecorrigeerd. Nu eiser geen bescheiden heeft overgelegd die aantonen dat zijn stellingen correct zijn, of anderszins heeft aangetoond dat het standpunt van verweerder onjuist is, moet worden geconcludeerd dat eiser het vermoeden dat het niet betalen van premie een gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur niet heeft kunnen weerleggen.

De omstandigheid dat eiser aangeeft dat hij er alles aan gedaan heeft om een faillissement af te wenden, waardoor zijn financiŽle positie slecht is, leidt evenmin tot een ander oordeel, alleen al nu daarover niets is gebleken.

Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser op grond van artikel 16d van de CSV aansprakelijk gesteld kan worden voor niet betaalde premie.

Ten aanzien van de aansprakelijkstelling voor opgelegde boeten, welke in de CSV als verhoging zijn geduid, is de rechtbank, in navolging van hetgeen de Hoge Raad bij arrest van 25 juni 1997 (gepubliceerd in BNB 1997/275 en VN 1997/2625) heeft uitgesproken, van oordeel dat artikel 16d van de CSV mede ziet op boeten. De bij Wet van 9 december 1999, Stb 550, vastgestelde en op 1 januari 2001 in werking getreden wijzigingen van de CSV hebben hierin geen wijziging gebracht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aansprakelijkstelling van derden niet het strafwaardig karakter aan de boeten ontneemt. Dit brengt mee dat verweerder de (procedurele) waarborgen, neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten in acht dient te nemen. Voor dit oordeel ziet de rechtbank steun in eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad.

Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder met inachtneming van die waarborgen te werk is gegaan. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat aan eiser de zogenaamde cautie is gegeven. Het bestreden besluit kan gelet op het vorenstaande, voorzover betrekking hebbend op aansprakelijkstelling voor boeten, niet in stand blijven."

In hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, in essentie een herhaling van hetgeen hij in eerste aanleg heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond om met betrekking tot het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende op grond van artikel 16d van de CSV aansprakelijk gesteld kon worden voor de niet betaalde premies, tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad voegt hieraan toe dat het bij het weerleggen van het wettelijk vermoeden dat de niet-betaling aan hem is te wijten, het er vooral om gaat dat een plausibele verklaring voor deze niet-betaling wordt gegeven. De bewijslast rust te dezen niet op het bestuursorgaan. Onvoldoende is de stelling dat er geen sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur. In aanmerking nemende dat al in 1995 een aanmerkelijke achterstand in de betaling van premies is ontstaan, moet de Raad vaststellen dat een verklaring als evenbedoeld niet is gegeven. Voorts voegt de Raad aan het vorenstaande toe dat de financiŽle positie waarin belanghebbende verkeert, een aansprakelijkstelling niet in de weg behoeft te staan. Dit kan wel van betekenis zijn bij de invordering.

Het hoger beroep van belanghebbende slaagt derhalve niet.

Het hoger beroep van het bestuursorgaan slaagt daarentegen wel. Wat er zij van het door het bestuursorgaan aangevoerde - inhoudende dat, anders dan met betrekking tot de cautieplicht is overwogen, onduidelijk is op welke waarborgen de rechtbank doelt, dat het geven van de cautie niet voortvloeit uit de door de rechtbank genoemde verdragen, dat de rechtbank verzuimd heeft aan te geven bij welke gelegenheid de cautie gegeven had moeten worden, en dat belanghebbende de gelegenheid heeft gehad de boetenota's te bestrijden -, blijkens de gedingstukken heeft belanghebbende in eerste aanleg niet aangevoerd dat procedurele waarborgen niet in acht zijn genomen door het bestuursorgaan. De Raad stelt dan ook vast dat de rechtbank op dit punt buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil is getreden en aldus het bepaalde in artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in acht heeft genomen.

Mede gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de gevoerde loonadministratie, ziet de Raad geen grond de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de niet betaalde boeten voor onjuist te houden.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. KovŠcs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. KovŠcs.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x