Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO6433
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene terecht op grond van artikel 16d van de CSV aansprakelijk gesteld voor niet-betaalde premies en boetes over de jaren in geding? Omvang van het geding. Schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Matiging van de boete.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/4498 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[appellant], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 5 juni 1998 heeft appellant beslissende op het daartegen door gedaagde ingediende bezwaarschrift gehandhaafd zijn besluit van 24 december 1996, waarbij gedaagde op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de premies en boetes over de jaren 1991 tot en met 1993, verschuldigd door Finagest Holland B.V.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 10 juli 2001 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, voorzover gericht tegen de aansprakelijkstelling voor boetenota's, dat besluit in zoverre vernietigd, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, bepaald dat appellant het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt en appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 22 oktober 2001 aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 februari 2004, waar voor appellant is verschenen mr. R.P. Bourne, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde is bestuurder geweest van Finagest Holland B.V. Deze vennootschap is op 7 maart 1995 in staat van faillissement verklaard. De vennootschap hield zich bezig met las- en constructie- en pijpfitterswerkzaamheden. Door de vennootschap zijn onbetaald gebleven premies voor de werknemersverzekeringen over de jaren 1991 tot en met 1993, alsmede twee boetenota's over de jaren 1991 en 1992, zulks tot een totaalbedrag van f 64.413,48. In dit bedrag zijn begrepen naheffingen over de jaren 1991 tot en met 1993. De boetenota's zijn opgelegd bij besluiten van 17 april 1995 en 25 december 1995.

Voor het niet betalen van voormeld bedrag door de vennootschap is gedaagde bij besluit van 24 december 1996 aansprakelijk gesteld. Dit besluit heeft appellant gehandhaafd bij zijn besluit van 5 juni 1998.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit besluit in stand gelaten, voorzover betrekking hebbende op de niet betaalde premies. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat gedaagde niet is geslaagd in het weerleggen van het wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank heeft opgemerkt dat gedaagde voor zijn aantreden van bestuurder zich, om welke reden dan ook, kennelijk onvoldoende heeft laten informeren over zijn taken en verantwoordelijkheden als enig bestuurder/directeur respectievelijk de financiële toestand en administratie van Finagest. Dit heeft er (mede) toe bijgedragen dat gedaagde vrij snel na zijn aantreden werd geconfronteerd met een financiële en administratieve wanorde. Hoewel niet ontkend kan worden dat gedaagde pogingen heeft gedaan een en ander in goede banen te leiden moet naar het oordeel van de rechtbank anderzijds geconstateerd worden dat hij er niet in is geslaagd in de betreffende jaren een volledige en deugdelijke loonadministratie tot stand te brengen en aan alle verplichtingen, zoals het opmaken van jaarrekeningen en openbaar maken van jaarstukken, te voldoen. Daardoor zijn schuldeisers, waaronder appellant, in een nadelige positie gebracht. Gedaagde is daarvoor als enig bestuurder/directeur verantwoordelijk. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook bij uitbesteding van de administratie aan derden.

Het besluit van 5 juni 1998 heeft de rechtbank niet in stand gelaten voor wat betreft de aansprakelijkstelling voor de aan de vennootschap opgelegde boetes. Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als verweerder en gedaagde als eiser, heeft de rechtbank daarover het volgende overwogen:

"Ten aanzien van de aansprakelijkstelling voor opgelegde boetes, welke in de CSV als verhoging zijn geduid, is de rechtbank, in navolging van hetgeen de Hoge Raad bij arrest van 25 juni 1997 (gepubliceerd in BNB 1997/275 en VN 1997/2625) heeft uitgesproken, van oordeel dat artikel 16d van de CSV mede ziet op boetes. De bij Wet van 9 december 1999, Stb 550 vastgestelde en op 1 januari 2001 in werking getreden wijzigingen van de CSV hebben hierin geen wijziging gebracht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aansprakelijkstelling van derden niet het strafwaardig karakter aan de boetes ontneemt. Dit brengt mee dat verweerder de (procedurele) waarborgen, neergelegd in het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in acht dient te nemen. Voor dit oordeel ziet de rechtbank steun in eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad.

Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder met inachtneming van die waarborgen tewerk is gegaan. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat aan eisers de zogenaamde cautie is gegeven. Daarnaast heeft verweerder geen volledige informatie aan eisers verstrekt nu het looncontrolerapport van 12 september 1995 waarop de aansprakelijkstellingen zijn gebaseerd, alleen aan de curator van Finagest is gezonden en niet aan eisers. Verweerder heeft deze handelswijze verdedigd door te verwijzen naar artikel 14 van de Faillissementswet op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn correspondentie aan de curator te zenden. Uit het vorenstaande is echter gebleken dat het faillissement van Finagest reeds op 15 augustus 1995 was opgeheven. Verweerder heeft bij brief van 16 februari 2001 ter zake opgemerkt:
'Afgezien van de vraag in hoeverre het ons verweten kan worden dat wij de brieven aan de curator hebben verzonden, terwijl het faillissement reeds was opgeheven, zijn wij van oordeel dat eisers niet in hun processuele belangen zijn geschaad, aangezien zij op grond van artikel 16d lid 8 CSV hun beroep tegen de aansprakelijkheidstelling mede kunnen richten tegen de hoogte van het door het lichaam (Finagest Holland B.V.) verschuldigde bedrag aan premie aangezien er in casu ten aanzien van de hoogte van die premie nog geen onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gewezen.'

Gelet op de uit de Faillissementswet voortvloeiende verplichting tot publicatie van faillissementen, respectievelijk opheffing van faillissementen, kan een beroep op onbekendheid met de opheffing van het faillissement van Finagest niet slagen. Daarnaast heeft verweerder zich geen, althans onvoldoende, rekenschap gegeven van de waarborgen waarmee de aansprakelijkstelling van derden voor boetes omkleed dient te zijn. De rechtbank kan daarom verweerders stelling dat eisers niet in hun processuele belangen zijn geschaad niet volgen."

Met betrekking tot de grief van gedaagde over de lange behandelingsduur is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM geen sprake is. Daarbij heeft de rechtbank daargelaten wat de gevolgen van een dergelijke overschrijding zouden moeten zijn, nu de boetes niet in stand blijven en met betrekking tot de aansprakelijkstelling voor de premies geldt dat schending van deze verdragsbepaling er niet toe kan leiden dat de bevoegdheid ter zake teloorgaat.

Nu gedaagde niet in hoger beroep is gekomen, is uitsluitend in geschil de aansprakelijkstelling van gedaagde voor de niet-betaalde boetes.

Met hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen kan appellant zich niet verenigen. Van zijn kant is naar voren gebracht dat de cautieplicht, zoals thans vervat in artikel 12a, eerste lid, van de CSV, is ontleend aan artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en niet voortvloeit uit artikel 6 van het EVRM en/of artikel 14 van het IVBPR. Voorts heeft appellant naar voren gebracht dat de rechtbank heeft nagelaten aan te geven bij welke gelegenheid de cautie gegeven had moeten worden. Daarbij heeft hij erop gewezen dat op de hoorzitting van zijn kant geen vragen zijn gesteld omtrent de feitelijke omstandigheden die hebben geleid tot de oplegging van de boetes. Tevens meent appellant dat er geen gebrekkige informatievoorziening jegens gedaagde heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft hij gewezen op een inventarislijst van de stukken, waaronder het verslag van de door de Belastingdienst gehouden boekencontrole en het rapport van de gehouden looncontrole, waarvan gedaagde heeft kunnen kennis nemen in de bezwaarprocedure.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde in eerste aanleg niet aangevoerd dat appellant hem erop had moeten wijzen dat hij niet verplicht was ter zake van de gedragingen die hebben geleid tot het opleggen van boeten aan de vennootschap, enige verklaring af te leggen. Evenmin heeft gedaagde enige grief naar voren gebracht omtrent de informatievoorziening van de kant van appellant. De Raad moet dan ook vaststellen dat de rechtbank met haar oordeel hierover is getreden buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil en aldus het bepaalde in artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in acht heeft genomen.

Mede gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de aansprakelijkstelling van gedaagde voor de niet betaalde premies, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat gedaagde niet tevens aansprakelijk gesteld kon worden voor de niet betaalde boetenota's. Wel meent de Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM inmiddels ruimschoots is overschreden. Sedert appellants aan gedaagde gerichte brief van 31 oktober 1996, waarbij de aansprakelijkstelling is aangekondigd, zijn meer dan zeven jaren verstreken.

In dit laatste ziet de Raad grond voor een bevestiging van de aangevallen uitspraak. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb matigt de Raad de aansprakelijkstelling, voorzover betrekking hebbende op de aan Finagest opgelegde boetenota's, met 50%.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verlaagt het bedrag waarvoor gedaagde aansprakelijk is gesteld met € 3.038,98 (voorheen: f 6.697,-);
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 409,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x