Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO6604
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijkaansprakelijkstelling voor verschuldigde doch niet betaalde premies sociale werknemersverzekeringen over de jaren in geding alsmede voor de verschuldigde boetes tot een totaalbedrag van f 567.917,-.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4535 CSV en 02/5425 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 6 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 december 2000, waarbij appellant op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [Pakhuis] (hierna: Pakhuis) verschuldigde, doch niet betaalde premies sociale werknemersverzekeringen over de jaren 1993 tot en met 1997, alsmede de over 1994 tot en met 1997 verschuldigde boetes tot een totaalbedrag van fl. 567.917,-, ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 19 juli 2002, nummer 01/4481, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen en beslist omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Namens appellant is G.W. Koster, werkzaam bij De Jong Koster, belastingadviseurs te Ridderkerk op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 22 augustus 2002 heeft gedaagde, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, het bedrag waarvoor appellant is aansprakelijk gesteld verlaagd tot fl. 567.693,16 (€ 257.693,16).

Bij brief van 29 december 2003 zijn van de zijde van appellant nadere stukken in het geding gebracht.

Het geding is, gevoegd met het geding onder nummer 01/3288 CSV tussen Pakhuis en gedaagde, behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 januari 2004, waar voor appellant zijn verschenen mr. P.J. de Booij, advocaat te Almere, en G.W. Koster, werkzaam bij De Jong Koster belastingadviseurs te Ridderkerk, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Aangezien met het hiervoor weergegeven besluit van 22 augustus 2002, dat gedaagde ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, aan het hoger beroep niet geheel tegemoet is gekomen, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 22 augustus 2002. De bezwaren van appellant tegen het besluit van 6 november 2001 dienen zodoende te worden beoordeeld in het kader van het nadere besluit van 22 augustus 2002. Het procesbelang bij het beroep tegen het besluit van 6 november 2001 is daarmee komen te vervallen en het hoger beroep dient dan ook in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het hoger beroep richt zich niet tegen het oordeel van de rechtbank dat bij het besluit van 6 november 2001 appellant voor een te hoog bedrag aansprakelijk is gesteld en het (daaruit voortvloeiende) dictum.

Namens Pakhuis is tegen correctiebesluiten van 18 december 1998 aangaande de jaren 1993 tot en met 1997 bij op 11 maart 1999 bij gedaagde ingekomen brieven, gedateerd 5 maart 1999, bezwaar gemaakt, waarbij als verklaring voor die late indiening vanwege Pakhuis is opgegeven dat zij de besluiten van 18 december 1998 niet eerder dan op 12 februari 1999 heeft ontvangen. Appellant heeft in dat verband gesteld dat de besluiten van 18 december 1998 zijn bezorgd op het (toenmalige) vestigingsadres van Pakhuis en door de voormalige bedrijfsleider aan gedaagde zijn geretourneerd, omdat het bedrijf, naar gedaagde bekend, was verkocht. Appellant heeft aangevoerd dat de, handmatig opgestelde, correctiebesluiten van 18 december 1998 zijn komen te vervallen, doordat zij zijn vervangen door op 23 februari 1999 (via het geautomatiseerde systeem) aangemaakte correctienota's over dezelfde jaren, waarvan er één -die over 1993- in het bezit is gekomen van Pakhuis en waarvan de bedragen iets afwijken van de besluiten van 18 december 1998.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Op of rond 23 februari 1999 zijn de (handmatig opgestelde) besluiten van 18 december 1998 kennelijk in het computersysteem van gedaagde ingevoerd en zijn aldus nieuwe nota's aangemaakt. Hoewel de wijze van invoer blijkbaar heeft geleid tot iets gewijzigde, in elk geval wat betreft 1993 enigszins hogere, bedragen, werd, naar namens gedaagde ter zitting is toegelicht, met die nieuwe nota's slechts een intern doel, namelijk de inbreng in het geautomatiseerde systeem, nagestreefd en werd hiermee niet de herziening van de eerdere nota's van 18 december 1998 beoogd. Anders dan appellant heeft betoogd, zijn, naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, de besluiten van 18 december 1998 onder deze omstandigheden niet komen te vervallen.

Of en in hoeverre de nota's van 23 februari 1993 als besluiten kunnen worden aangemerkt, is voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet van belang.

De rechtbank heeft de door appellant aangevoerde gronden tegen de hoogte van de correcties verworpen met de overweging dat appellant heeft nagelaten een deugdelijke administratie over te leggen ter weerlegging van de gegevens zoals deze zijn gebleken in het tegen appellant en anderen gerichte opsporingsonderzoek. Appellant keert zich daartegen in het hoger beroep met het betoog dat gedaagde ten onrechte de door Pakhuis gevoerde administratie heeft verworpen. In dat verband heeft de Raad het door appellant ingenomen standpunt aldus begrepen, dat het opsporingsonderzoek alleen op ondergeschikte onderdelen overtuigend aan het licht heeft gebracht dat de loonadministratie van Pakhuis feilen vertoonde. Voor zover uit afgelegde verklaringen of anderszins uit dat onderzoek verdergaande manco's in de door Pakhuis gevoerde boekhouding naar voren komen, vinden deze onvoldoende bevestiging in andere bewijsmiddelen.

Daarin kan de Raad appellant niet volgen en hij overweegt als volgt.

Onder de gedingstukken bevindt zich een proces-verbaal van 16 december 1998 op ambtseed opgesteld door L. Nijboer, H. Smit en J.D. Borg, werkzaam bij de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, alsmede de bij GAK Nederland B.V. werkzame H. Erends, allen tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, waarin verslag is gedaan van de resultaten van het tegen appellant en anderen gerichte opsporingsonderzoek. Uit dat onderzoek blijkt onder meer van door de voormalige boekhouder van Pakhuis afgelegde verklaringen waarin melding wordt gemaakt van jarenlang structureel buiten de boekhouding gehouden geldstromen waaruit niet in de bedrijfsadministratie verantwoorde inkopen werden gedaan, het niet volledig boeken van de gerealiseerde omzet en betalingen van netto loon aan personeel zonder dat deze (ten volle) in de loonadministratie werden verwerkt. Deze verklaringen vinden onder meer bevestiging in de door (ex-)werknemers afgelegde verklaringen, in beslag genomen afleverbonnen (waar geen facturen tegenover stonden), verklaringen van leveranciers en, wat betreft de loonbetalingen aan afwashulpen en schoonmaakpersoneel, deels in de door appellant zelf afgelegde verklaringen. Hieruit blijkt overtuigend dat sprake is geweest van opzet om onjuiste loonopgaven te doen; er was sprake van een onder leiding van appellant door Pakhuis in het leven geroepen en systematisch in stand gehouden circuit van gelden, die niet werden verantwoord in de naar buiten gepresenteerde boekhouding.

Gezien het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde de administratie van Pakhuis over de hier van belang zijnde jaren terecht heeft verworpen en, bij gebreke van exacte en betrouwbare loongegevens de verschuldigde premie bij benadering aan de hand van een schatting heeft vastgesteld. De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde bij die schatting voldoende zorgvuldigheid heeft betracht; hij heeft zich bij de schatting gebaseerd op de gegevens zoals deze uit het opsporingsonderzoek zijn gebleken. Appellant heeft in hoger beroep geen verifieerbare gegevens aangedragen waaruit de gestelde onjuistheid van de schatting blijkt en evenmin door rapportages van niet betrokken deskundigen zijn stellingen onderbouwd. De Raad wijst nog op zijn vaste rechtspraak dat het risico van een mogelijk te hoge schatting in een geval als het onderhavige voor rekening van appellant komt.

Ook in het overigens door appellant aangevoerde ziet de Raad geen aanleiding de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden.

Met zijn uitspraak van heden in het geding tussen Pakhuis en gedaagde, nummer 01/3288 CSV, heeft de Raad de aan Pakhuis opgelegde boetes verlaagd, hetgeen ook voor het onderhavige hoger beroep tot gevolg heeft dat het bedrag waarvoor appellant is aansprakelijk gesteld, voor overeenkomstige verlaging in aanmerking komt. De Raad zal onder vernietiging van het besluit van 22 augustus 2002 ter zake toepassing geven aan het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.

De Raad acht termen aanwezig gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt daarom als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart appellant in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2002 gegrond en vernietigt dit besluit;
Verlaagt het in de aansprakelijkstelling begrepen bedrag van de boetes tot € 54.345,- en stelt vast dat daarmee het bedrag van de aansprakelijkstelling beloopt € 203.348,16;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde recht ad € 111,04 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovacs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2004.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A. Kovacs.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x