Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO7651
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van het UWV wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/991 CSV en 04/992 CSV




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. INLEIDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 15 december 2003 tussen partijen gegeven uitspraak.

Deze uitspraak is op 6 januari 2004 in afschrift aan partijen toegezonden.

Het beroepschrift is op 19 februari 2004 ter griffie ontvangen.




II. MOTIVERING


Volgens artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Op grond van de in rubriek I vermelde gegevens moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.

Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Bij schrijven van 23 februari 2004 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.

Appellant heeft daarop bij brieven van 2 maart 2004 en 12 maart 2004 geantwoord dat het beroepschrift op 17 februari 2004 ter postbezorging is aangeboden. Appellant is van mening dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep aanvangt op 7 januari 2004 en de eindtermijn derhalve ligt op 18 februari 2004.

Hetgeen appellant ter zake heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

De Raad overweegt daartoe dat de beroepstermijn zich uitstrekte over de periode 6 januari 2004 tot en met 17 februari 2004. Het beroepschrift is niet tijdig ingediend. In dit verband overweegt de Raad dat in situaties als de onderhavige het uitgangspunt geldt dat het risico dat het hoger beroep niet tijdig is ingediend, volledig voor rekening komt van de partij die het hoger beroep instelt.

Het hoger beroep is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.

Nu de aangevallen uitspraak in stand blijft, dient van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 409,-- te worden geheven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 409,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) P.A.M. Hulsdouw.




Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x