Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AO8378
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene terecht hoofdelijk aansprakelijk gesteld op grond van artikel 16c, eerste lid, onderdeel a, van de CSV voor de door het bedrijf verschuldigde en onbetaald gebleven premies?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/1285 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 12 februari 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van 5 januari 2000, waarbij hij hoofdelijk aansprakelijk is gesteld op grond van artikel 16c, eerste lid, onder a, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) voor de door [naam bedrijf] verschuldigde en onbetaald gebleven premies over de jaren 1997 tot en met 1999 tot een bedrag van f 23.750,--.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 17 januari 2002 het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. A.P. Flinterman, advocaat te Woerden, op bij beroepschrift van 26 februari 2002 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 18 april 2002, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.P. Flinterman, voornoemd, als zijn raadsman. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. N.M.D. van Beek, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is vanaf eind 1995 tot aan 1 oktober 1999 medebestuurder/vestigingsdirecteur geweest van [naam bedrijf] (het lichaam). Hoewel deze vennootschap haar statutaire zetel in Antwerpen had, komt uit de stukken en het verhandelde ter zitting in eerste instantie en in hoger beroep naar voren dat de bedrijfsactiviteiten van dit lichaam aangaande de handel in dakramen e.d. onder de bedrijfsnaam ventalux in de jaren 1997-1999 zich feitelijk geheel en al in Nederland rond [woonplaats], het adres van kantoor en bedrijfsruimten van appellant, hebben afgespeeld. Nu het lichaam in gebreke is gebleven desbetreffende verschuldigde sociale verzekeringspremies over evenbedoelde jaren te voldoen, is appellant te dien aanzien door gedaagde bij het in dit geding bestreden besluit hoofdelijk aansprakelijk gesteld met toepassing van artikel 16c, eerste lid, onder a, van de CSV.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank uitgaande van het tot voor kort gehuldigde formele vestigingsbegrip ten aanzien van een onderneming als deze, en onder verwijzing naar een uitspraak van deze Raad van 8 april 1991, RSV 1992, 12, het standpunt ingenomen dat nu de vennootschap statutair in België is gevestigd er in casu sprake is van een werkgever die niet binnen het Rijk is gevestigd en dat appellant daarbij moet worden aangemerkt als leider van zijn vaste inrichting binnen het Rijk, dan wel degene die de leiding heeft van de hier te lande verrichte werkzaamheden. Daarmede heeft de rechtbank de juistheid van de toepassing van hogergenoemd artikelonderdeel uit artikel 16c van de CSV te dezen onderschreven.

In hoger beroep is appellant met klem de onjuistheid van de toepassing van meerbedoeld artikelonderdeel blijven benadrukken, omdat gegeven ook de door hem met consistentie en juistheid aangetoonde kern van de ondernemingsactiviteiten hier te lande, niet kan worden staande gehouden dat het lichaam een buitenlandse onderneming is, welke in België is gevestigd, doch een binnenlandse onderneming waarop artikel 16d van de CSV met voor hem verlangde sterkere bewijswaarborgen versus aansprakelijkstelling van toepassing is. Ter zitting is van de zijde van appellant het zijns inziens discriminatoire karakter van de onterecht benadelende behandeling van gedaagde processueel en materieel nog nader uitgewerkt.

Gedaagde heeft in verweer doen benadrukken dat op deze casuspositie oud recht, inzonderheid oude verlaten jurisprudentie moet worden toegepast, gezien de jaren in geding.
Ten tijde van het bestreden besluit kon zijns inziens ook met geen ander recht rekening worden gehouden. Daarenboven ziet gedaagde, zoals ter zitting is bevestigd, nog wel aanknopingspunten om een op artikel 16c van voornoemde wet geen aansprakelijkstelling staande te houden dan wel aan onderzoek te onderwerpen.

De Raad overweegt te dien aanzien het volgende.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 25 juli 2002, RSV 2002, 237 (in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2001, NJ 2001/465) bevestigt de Raad te dezen andermaal zijn jurisprudentie voor de toepassing van artikel 16c van de CSV niet langer een formeel vestigingscriterium ter zake van een onderneming als hier aan de orde te volgen maar een materieel begrip aan de hand van de feitelijke gevalsomstandigheden, ook omwille van gecoördineerde vergelijkbare invorderingsmogelijkheden zoals op het terrein van de loonbelasting. Zulks brengt mee dat artikel 16c van de CSV te dezen toepassing mist, omdat de feitelijke activiteiten van de betrokken onderneming zich kennelijk - nagenoeg - alle afspeelden op Nederlands grondgebied, zodat te dezen geen sprake is van een buitenlandse onderneming doch van een binnenlandse onderneming. Ter nadere motivering geeft de Raad aan dat zowel in het inleidend bezwaarschrift, als in de hoorzitting voorafgaande aan de definitieve besluitvorming als ter zittingen van rechtbank en Raad consistent en uitdrukkelijk met genoegzame overtuiging in het licht is gesteld dat de betrokken ondernemingsactiviteiten zich op alleszins verklaarbare gronden voor 100% hier te lande afspeelden. Naast het bedrijfsgebeuren als zodanig was ook het klantenbestand geheel in Nederland te lokaliseren; daarnaast werd de gemaakte omzet volledig hier te lande gerealiseerd en belastingen werden eveneens hier geheven. Enig bedrijfsgebeuren is in België nimmer van de grond gekomen. Hetgeen gedaagde eerst laat ter zitting van de Raad hiertegenover heeft weten te stellen heeft de Raad niet tot een andere overtuiging kunnen brengen, te minder nu hierin geen concrete aan de hand van het dossier verifieerbare aanknopingspunten voor materiële vestigingselementen buiten Nederland zijn gelegen. Voor een posterieur onderzoek ziet de Raad om redenen van een goede procesorde en een behoorlijke proceseconomie in het licht ook van het geruime tijdsverloop geen gerede grondslag.
Het beroep van gedaagde om te dezen nog oud recht toe te passen, faalt eveneens, zowel omdat de vroegere jaren in geding als zodanig niet aan de toepassing van nieuw verbeterd recht in de weg staan als ook omdat in het genoemde arrest van de Raad reeds op nog vroegere jaren dan die thans in geding reeds gedegen gemotiveerd het nieuwe recht metterdaad is toegepast.

Op grond van het vorenstaande dient het - hoger - beroep van appellant als gegrond te worden aangemerkt en kunnen de aangevallen uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van gedaagde niet in stand worden gelaten.

Resterende grieven van appellant behoeven dan ook geen bespreking meer.

Gedaagde zal veroordeeld worden in de kosten van het geding in beide instanties, gelijk hieronder in rubriek III is aangegeven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;
Verklaart het beroep gegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten in twee instanties, begroot op € 1.288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht in twee instanties van € 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x