Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AP0500
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-05-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De betreffende brief kan niet worden aangemerkt als een pro-formabezwaarschrift, omdat in die brief niet wordt vermeld dat geprotesteerd wordt tegen de juistheid van de vaststelling van de correctienota's dan wel dat zulks wordt aangekondigd.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/6230 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft drs. J. van Leeuwaarden, belastingadviseur te Capelle aan den IJssel, op bij aanvullend beroepschrift van 19 februari 2002 (met bijlagen) aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam onder dagtekening 22 oktober 2001 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 8 april 2002, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 april 2004, waar namens appellante is verschenen drs. Van Leeuwaarden, voornoemd, terwijl gedaagde - met voorafgaand schriftelijk bericht - niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Het geschil betreft het antwoord op de vraag of gedaagde appellante bij besluit van 30 juni 1999 - onder meer - op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar tegen correctienota's over de jaren 1993 tot en met 1997 wegens het feit dat appellante bij het instellen van bezwaar de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken, niet in acht heeft genomen, en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, vaststellende dat de brief van 3 februari 1999 niet kan worden aangemerkt als een pro-forma bezwaarschrift, omdat in voormelde brief niet vermeld wordt dat geprotesteerd wordt tegen de juistheid van de vaststelling van de correctienota's dan wel dat zulks wordt aangekondigd. Het op 1 mei 1998 gedateerde bezwaar tegen de op 26 en 27 januari 1998 gedateerde correctienota's is niet tijdig ingediend, terwijl de rechtbank niet gebleken is van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.

De Raad verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. In hoger beroep is namens appellante naar voren gebracht dat zij op het verkeerde been is gezet door de brief van gedaagde van 24 februari 1998 waarin appellante is medegedeeld dat geen uitstel van betaling wordt verleend tot een beslissing op het bezwaarschrift is genomen. Deze eerst ter zitting van de Raad naar voren gebrachte stelling komt de Raad ongeloofwaardig voor. Te meer, daar deze stelling niet naar voren is gebracht in reactie op de brief van gedaagde van 21 juli 1998, waarin appellante is medegedeeld dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend en waarbij expliciet is gevraagd of er sprake is van een verschoonbare reden voor het te laat indienen van het bezwaarschrift. Naar het oordeel van de Raad was dat voor appellante het moment bij uitstek om nog in de bezwaarfase te stellen dat zij door gedaagde op het verkeerde been was gezet.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x