Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AP1647
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijkaansprakelijkstelling op grond van artikel 16d van de CSV van betrokkene als bestuurder van de BV voor de door de BV over het jaar 1995 onbetaald gelaten premies voor de sociale werknemersverzekeringen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/5533 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 1 maart 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van 11 november 1999, waarbij hij op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) als gewezen bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor door [naam B.V.] onbetaald gelaten premies ingevolge de werknemersverzekeringswetten over 1995 tot een bedrag van fl. 64.717,82.

De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 21 september 2001, registratienummer 00/223, het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. J. Lewin, advocaat te Hardinxveld-Giessendam, onder verwijzing naar de eerder in bezwaar en beroep aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van 15 april 2004, waar namens appellant is verschenen mr. F.W. Hogendorp, advocaat te Hardinxveld-Giessendam, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.T. van Arnhem, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep terecht ongegrond verklaard. Aangezien de in hoger beroep aangevoerde gronden een herhaling vormen van hetgeen eerder is aangevoerd, volstaat de Raad met de volgende overwegingen.

Appellant was van de dag van oprichting op 17 februari 1995 tot 15 september 1995 bestuurder van [naam B.V.] B.V. ([naam B.V.]). Deze vennootschap heeft de exploitatie van een sedert 18 juli 1994 door appellant gevoerde internationale transportonderneming voortgezet. De feitelijke leiding van het bedrijf heeft appellant volledig overgelaten aan zijn broer, die appellant per 15 september 1995 als bestuurder van [naam B.V.] is opgevolgd. Tot 11 maart 1996 was appellant de houder van alle aandelen van [naam B.V.].

[Naam B.V.] is door appellant opgericht nadat hem (doordat hij door schuldeisers werd aangesproken) was gebleken dat zijn, met de feitelijke leiding van het bedrijf belaste broer, de boekhouding verwaarloosde en zijn vertrouwen misbruikte waardoor derden werden benadeeld.

[Naam B.V.] is op 18 september 1996 in staat van faillissement verklaard. Een boekhouding is niet gevoerd. Jaarstukken werden niet gepubliceerd. [Naam B.V.] heeft alleen loonbelasting afgedragen. Andere belastingen werden niet voldaan. Over 1995 en 1996 zijn premies werknemersverzekeringen onbetaald gebleven, over 1995 tot een bedrag van
fl. 64.717,82.

Uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt dat appellant reeds vóór de oprichting van [naam B.V.] door crediteuren is aangesproken dat zijn broer de boekhouding verwaarloosde. Ook was hem duidelijk dat zijn broer zijn vertrouwen misbruikte en derden met zijn handelen benadeelde. Desondanks heeft appellant het bestuur van [naam B.V.] op zich genomen en de feitelijke leiding ook nadien overgelaten aan zijn broer. Voorts blijkt uit de hiervoor geschetste feiten dat binnen [naam B.V.] kennelijk onbehoorlijk bestuur is gevoerd. [Naam B.V.] heeft nagelaten tijdig melding te maken dat zij niet (langer) in staat was om aan haar premiebetalingsverplichting te voldoen.

Appellant is gewezen bestuurder van [naam B.V.] B.V. tijdens wiens bestuur de premieschuld is ontstaan. Hij is er niet in geslaagd om het vermoeden te ontzenuwen dat de niet-betaling van de premie door [naam B.V.] aan hem is te wijten.

Tijdens het bestuur van appellant is [naam B.V.] een voorschotnota in rekening gebracht van fl. 133.024,-. Pas na afloop van het bestuur door appellant is gedaagde er in geslaagd een deel van de over 1995 in rekening gebrachte premie met een dwangbevel te incasseren. De betaling is ruimschoots minder dan het bedrag van de oudste voorschotnota en het bedrag waarvoor appellant aansprakelijk is gesteld is lager dan de aan zijn periode van bestuur toe te rekenen premie.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x