Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AP7986
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Rechtsgeldige melding van betalingsonmacht. Kennelijk onbehoorlijk bestuur. Matiging van de hoogte van de aansprakelijkstelling.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/3538 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is B.J.A. van Elk te Beuningen bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Dordrecht onder dagtekening 24 mei 2004, kenmerk AWB 01/1027, gegeven uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door de heer Van Elk, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. N.M.D. van Beek, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is, bij besluit van 3 oktober 2001 - hierna: het bestreden besluit -, door gedaagde als bestuurder van [naam B.V. ] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door genoemde vennootschap onbetaald gelaten premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten over de jaren 1997 en 1998. Hierbij heeft gedaagde overwogen dat er sprake was van een rechtsgeldige melding als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV). De daarop volgende vraag of het aannemelijk was dat het niet betalen van de premie of de voorschotpremie het gevolg was van aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling, heeft gedaagde in het bestreden besluit bevestigend beantwoord. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat uit de voorhanden zijnde gegevens, waaronder een proces-verbaal van de Fiscale inlichtingen en opsporingsdienst (Fiod) van 4 januari 2000, als vaststaand kan worden aangenomen dat gedurende de hier in geding zijnde jaren structureel zwarte lonen werden uitbetaald - wat heeft geleid tot het achteraf opleggen van correctienota's over de jaren 1997 en 1998 - en tevens dat vast staat dat appellant op de hoogte was van deze handelwijze. Ook het feit dat appellant door de rechtbank strafrechtelijk is veroordeeld leidt, naar de mening van gedaagde, tot de conclusie dat appellant zich aan kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft schuldig gemaakt nu als gevolg van het structureel uitbetalen van zwarte lonen bewust ten onrechte onvoldoende premies zijn afgedragen.

Appellant bestrijdt niet zo zeer de stelling dat er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur, maar meent dat, nu gedaagde in het bestreden besluit heeft erkend dat er wel sprake is geweest van een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht en hij bovendien open heeft meegewerkt aan het onderzoek, de hoogte van de aansprakelijkstelling naar beneden bijgesteld zou moeten worden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt, met appellant, vast dat in de aangevallen uitspraak door de rechtbank is gesteld dat het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard, terwijl dat had moeten zijn gegrond in dier voege dat de melding betalingsonmacht als rechtsgeldig was aan te merken. De Raad acht dit een kennelijke verschrijving van de zijde van de rechtbank en ziet hierin geen aanleiding de aangevallen uitspraak om deze reden te vernietigen.

Als gevolg van de vaststelling van gedaagde dat er sprake is geweest van een rechtsgeldige melding betalingsonmacht is het, gezien het bepaalde in artikel 16d van de CSV, aan gedaagde aannemelijk te maken dat er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de zijde van appellant in de drie jaren voorafgaande aan deze melding, waarbij ook aannemelijk moet zijn dat als gevolg van dit kennelijk onbehoorlijk bestuur de premies niet (volledig) zijn voldaan. Deze vaststelling van de rechtsgeldigheid van de melding heeft derhalve geen invloed op de hoogte van de aansprakelijkstelling, maar ziet op de zogeheten bewijslastverdeling. De Raad is van oordeel dat uit de voorhanden zijnde stukken, daaronder begrepen de door appellant afgelegde verklaringen zoals opgenomen in het Fiod-rapport, voldoende aannemelijk is dat er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de zijde van appellant, als gevolg waarvan de premies niet (volledig) zijn voldaan. Derhalve is appellant, naar het oordeel van de Raad, terecht hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door [naam B.V. ] onbetaald gelaten premies. De wettelijke bepalingen hieromtrent, noch de jurisprudentie op dit gebied, bieden aanknopingspunten voor matiging van de hoogte van de aansprakelijkstelling op de grond dat appellant open heeft meegewerkt aan het onderzoek. Daarbij overweegt de Raad mede dat een hoofdelijke aansprakelijkstelling ingevolge artikel 16d van de CSV geen strafvervolging is, waarbij de houding van appellant gedurende het onderzoek mogelijk van invloed zou kunnen zijn op de strafmaat.

Uit het vorengaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x