Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AQ5831
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van premiecorrectie- en boetenota's ter zake van niet-verantwoorde (zwarte) loonbetalingen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/2408 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[vennootschap], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij beroepschrift van 26 april 2002 heeft mr. J. van der Plas, belastingadviseur te Amsterdam, als gemachtigde van appellante op bij aanvullende beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zutphen op 19 maart 2002, nummer 01/374 CSV, tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 juni 2004, waar voor appellante is verschenen haar directeur A. Sint Nicolaas, bijgestaan door mr. L.E. Bindemann, en waar namens gedaagde niemand is verschenen.




II. MOTIVERING


Appellante heeft voorafgaand aan de terechtzitting bij brief van 7 juni 2004 haar pleitnota aan de Raad toegezonden. Daarbij heeft appellante zeven bijlagen overgelegd. In artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat partijen tot tien dagen voor de zitting stukken kunnen indienen. Appellantes gemachtigde heeft zich niet aan deze termijn gehouden. Mede in aanmerking genomen dat gedaagde niet ter zitting van de Raad is verschenen en zich niet over de bijlagen heeft uitgelaten, zal de Raad die stukken buiten beschouwing laten.

In hoger beroep is nog in geschil de vraag of gedaagde terecht en op goede gronden premies heeft geheven en boetes heeft opgelegd over de premiejaren 1996 en 1997 ter zake van niet verantwoorde (zwarte) loonbetalingen. Gedaagde heeft zulks neergelegd in zijn primaire besluiten van 18 en 23 februari 2000, welke besluiten zijn gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 9 februari 2001. In de in rubriek I vermelde uitspraak heeft de rechtbank, blijkens haar overwegingen, het beroep van appellante, voor zover het de premiejaren 1996 en 1997 betreft, voor ongegrond gehouden.

Appellante exploiteert een restaurant. Zij heeft - kort gezegd - gesteld aannemelijk te achten dat haar voormalig bedrijfsleider een gedeelte van de omzet van het restaurant heeft verduisterd. Daar van uitgaande, kan volgens appellante niet gesteld worden dat de verduisterde bedragen zijn aangewend voor de betaling van zwarte lonen. Voorts wijst appellante er op dat tussen haar en de bedrijfsleider een arbeidsconflict is gerezen. Voor appellante belastende verklaringen van de bedrijfsleider zouden zijn afgelegd uit rancuneuze motieven.

De Raad overweegt als volgt.

Appellante heeft haar stellingen niet met verifieerbare gegevens onderbouwd. Het standpunt van gedaagde vindt daarentegen wel steun in de gedingstukken, waarbij de Raad niet alleen wijst op de door appellantes bedrijfsleider op 25 mei 1999 afgelegde verklaring, maar ook naar de uit de door deze bedrijfsleider overlegde agenda’s gedestilleerde gegevens en urenlijsten. Voorts vindt het standpunt van gedaagde steun in de overige zich onder de gedingstukken bevindende getuigenverklaringen.

De Raad overweegt ten aanzien van de opgelegde boete geen aanleiding te zien appellante te volgen in haar stelling dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154), gezien de sedert de aankondiging van de boeteoplegging op 18 februari 2000 verstreken tijd. De Raad ziet ook overigens geen aanleiding de opgelegde boete voor onjuist te houden.

De Raad beantwoordt de hierboven geformuleerde rechtsvraag derhalve bevestigend.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. R.C. Stam in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2004.

(get.) R.C. Stam.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x