Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AQ5850
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijkaansprakelijkstelling op grond van artikel 16d van de CSV van betrokkene voor de door de vennootschap over de jaren in geding onbetaald gelaten premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Matiging van de boete. Proceskostenveroordeling.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4716 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. W.P. Keulers, advocaat te Zoetermeer, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank ’s-Gravenhage onder kenmerk 00/9354 op 24 juli 2002 gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 1 juli 2004, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich, daartoe opgeroepen, heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.P. Bourne, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is als voormalig bestuurder van [vennootschap] door gedaagde bij besluit van 20 november 1995 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor door die vennootschap over de jaren 1991 tot en met 1994 onbetaald gelaten premies werknemersverzekeringen tot een bedrag van fl. 309.770,13, waarin een bedrag van fl. 36.416,44 (€ 16.529,11) aan boetes is begrepen. Het daartegen vanwege appellant op 23 november 1995 ingediende bezwaar is door gedaagde bij het bestreden besluit van 7 juli 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en de door appellant ten laste van het Uwv gevraagde schadevergoeding afgewezen.

Appellant heeft in hoger beroep uitsluitend gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over (de gevolgen van) de overschrijding van de beslistermijn en de redelijke termijn gedurende de verlengde besluitvorming en in aanvulling aangevoerd dat de behandeling van het inleidend beroep (evenzeer) langer heeft geduurd dan uit het oogpunt van artikel 6, eerste lid van het Europees verdrag tot de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is toegelaten.

Gedaagde erkent dat de behandeling van het bezwaarschrift te lang heeft geduurd en dat daarom sprake is van overschrijding van de in artikel 18b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) bedoelde beslistermijn en de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Ook de rechtbank is tot die conclusie gekomen. Partijen verschillen echter over de aan die overschrijding van de termijnen te verbinden gevolgen.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de in artikel 18b van de CSV bedoelde beslistermijn een termijn van orde is, zodat de enkele overschrijding daarvan geen aanleiding vormt voor vernietiging van het bestreden besluit.

Met partijen en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de redelijke, in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn is overschreden. Deze termijn rekent in dit geval vanaf 20 c.q. 23 november 1995. Sedertdien zijn tot de dag van deze uitspraak bijna negen jaren verstreken.

Met de behandeling van het bezwaarschrift was ruim 4½ jaar gemoeid. Deze lange afhandelingsduur wordt slechts voor een beperkt deel gerechtvaardigd door de samenhang met de vergelijkbare zaak van een eveneens aansprakelijk gestelde medebestuurder en het verband met een fiscaal geschil. Ook de schikkingsonderhandelingen die zich tot begin maart 1996 hebben uitgestrekt vormen onvoldoende verklaring, laat staan rechtvaardiging voor de lange termijn van de verlengde besluitvorming.

De behandeling van het inleidend beroep heeft, vanaf de indiening van het inleidend beroepschrift op 17 augustus 2000, tot de dag van de verzending van de aangevallen uitspraak op 26 juli 2002, bijna twee jaren in beslag genomen. De beroepsgronden werden namens appellant op 1 oktober 2000 ingediend, het verweerschrift in eerste aanleg dateert van 14 november 2000. De zaak van appellant is gevoegd behandeld met de door de rechtbank Zutphen ex artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verwezen zaak van een medebestuurder en de wisseling in de appellant rechtsbijstandverlenende personen heeft aanleiding gegeven tot een uitgebreide aanvulling van beroepsgronden kort voor de door de rechtbank op 29 januari 2002 gehouden zitting. Mede in aanmerking genomen de complexiteit van de zaak en de beschreven processuele verwikkelingen en voortgang, ziet de Raad, anders dan appellant heeft betoogd, onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM is geschonden, enkel vanwege de behandelingsduur van het inleidend beroep.

De in het bedrag van de aansprakelijkstelling begrepen boete(s) moeten vanwege de verstreken termijn tot nihil worden gematigd. In zoverre kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het bedrag van de aansprakelijkstelling vast te stellen onder vermindering met de daarin begrepen boete(s).

Naar de Raad vaker tot uitdrukking heeft gebracht heeft de omstandigheid dat niet binnen de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn is beslist, niet aanstonds tot gevolg dat de in de CSV dwingend voorgeschreven vaststelling en de invordering van premie niet (langer) kan plaats vinden, zo min als daardoor de hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 16d van de CSV (zondermeer) verloren gaat. Met het oog op de aan een dergelijke schending te verbinden gevolgen zal een beoordeling van de zaak ten gronde dienen te geschieden, waarbij met een door het tijdverloop ontstane nadeliger bewijspositie bij de vaststelling van de feiten rekening kan worden gehouden.

Appellant heeft niet gesteld en evenmin is anderszins gebleken dat appellant als gevolg van de lange afhandelingsduur in een ongunstiger processuele of bewijspositie is komen te verkeren.

Appellant stelt dat hij door de vertraging in de afhandeling nadeel heeft ondervonden doordat hij, als gevolg van de latent aanwezige premieschuld, is gehinderd in zijn zakelijke belangen. In het bijzonder zouden de mogelijkheid tot het verkrijgen van krediet en het oprichten van een rechtspersoon zijn belemmerd. Deze stelling wordt verworpen, reeds, omdat het enige effect van een snellere besluitvorming en afhandeling van het beroep zou zijn geweest dat eerder dan thans definitief de omvangrijke premieschuld van appellant was komen vast te staan.

Het is de Raad niet gebleken dat appellant (andere) materiële schade heeft geleden als gevolg van de vertraagde afhandeling. De door appellant dientengevolge geleden schade is daarmee beperkt tot de emotionele schade door de lange(re) tijd van onzekerheid waarin hij over de afdoening heeft verkeerd. Aan deze door appellant geleden schade wordt naar het oordeel van de Raad afdoende tegemoet gekomen als, naast de matiging van de inbegrepen boete, gedaagde, overeenkomstig zijn toezegging ter zitting, afziet van de heffing van vertragingsrente over de periode gedurende welke hij in verzuim is geweest tijdig op het bezwaarschrift van appellant te beslissen.

Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het inleidend beroep bevindt de Raad gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking in zoverre in het bedrag van de aansprakelijkstelling een boete is begrepen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het bedrag van de aansprakelijkstelling met de daarin begrepen boete(s) te verminderen.

Appellant heeft gevraagd om het Uwv te veroordelen tot de vergoeding van de door hem geleden schade die bestaat uit de kosten voor rechtsbijstand in bezwaar en (hoger) beroep. Dit verzoek wijst de Raad af; artikel 8:75 van de Awb geeft een uitputtende regeling voor de vergoeding van de in (hoger) beroep gemaakte proceskosten en niet is gesteld of gebleken dat gedaagde het besluit van 20 november 1995 tegen beter weten in heeft genomen.

De Raad ziet aanleiding gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van het geding, aan de zijde van appellant wegens de aan hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- voor het geding bij de rechtbank en € 644,- voor het hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 7 juli 2000, uitsluitend voor zover daarbij het bedrag van de aansprakelijkstelling is gehandhaafd op een bedrag hoger dan fl. 273.353,70 (€ 124.072,90);
Stelt het bedrag waarvoor appellant aansprakelijk is vast op fl. 273.353,70 (€ 124.072,90) en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
Wijst af het verzoek tot schadevergoeding;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding ad € 1.288,-, te betalen door het Uwv aan appellant;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van er Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken op 22 juli 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x