Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AR3703
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijkaansprakelijkstelling op grond van artikel 16d van de CSV van betrokkene voor de door de co÷peratie over de jaren in geding onbetaald gelaten premies voor de sociale werknemersverzekeringen voor een bedrag van f 5.776.048,10. Bemiddeling tussen tuinders en Poolse vennootschappen (ook spolkaĺs genoemd). Schijnconstructie.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/1461 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 7 maart 2001 (hierna: bestreden besluit) heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 13 maart 2000, waarbij appellant op grond van artikel 16d van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten over de jaren 1994 tot en met 1996, verschuldigd door de Co÷peratie [naam co÷peratie] 98 U.A. (hierna: [naam co÷peratie]) voor een bedrag van fl. 5.776.048,10.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 20 februari 2003, nummer 01/1422, (hierna: de aangevallen uitspraak) het namens appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 25 maart 2003 heeft mr. E.J. Rasker, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van appellant op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Rasker, voornoemd, en waar namens gedaagde zijn verschenen mr. R.P. Bourne en P.R.H. Min, beiden werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Gedaagde stelt zich blijkens het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende gedingstukken op het standpunt dat [naam co÷peratie] als premieplichtige werkgever is aan te merken ten aanzien van ongeveer 1400 Poolse werknemers, die door [naam co÷peratie] in de jaren 1994 tot en met 1997 te werk zijn gesteld bij tuinders. [naam co÷peratie] heeft deze werknemers nimmer bij gedaagde gemeld, geen loonopgave gedaan noch premies afgedragen.

Op basis van de bevindingen uit een gezamenlijk onderzoek van zijn opsporingsdienst en de FIOD, de Economische Controle Dienst, de Belastingdienst Hoorn, de Arbeidsinspectie en de Politie Noord-Holland-Noord heeft gedaagde de door [naam co÷peratie] gehanteerde constructie als vals bestempeld. Deze constructie komt erop neer dat [naam co÷peratie] bemiddelt tussen tuinders en Poolse vennootschappen (ook spolkaĺs genoemd), welk bemiddeling uitmondt in het sluiten van een zogenaamde koop-/verkoopovereenkomst, strekkende tot verkoop van gewassen door de tuinder aan de Poolse vennootschappen. De Poolse vennootschappen dragen vervolgens zorg voor de oogst en/of de bewerking van de gewassen, waarna de bewerkte gewassen door de tuinders terug worden gekocht dan wel ter veiling worden aangeboden.

[Naam co÷peratie] is op 23 november 1998 ontbonden en opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn. Op 9 december 1998 heeft gedaagde correctienotaĺs over 1994 tot en met 1997 aan [naam co÷peratie] verzonden. Gedaagde heeft vervolgens dwangbevelen doen uitvaardigen, welke zijn betekend aan de Officier van Justitie van welke betekening melding is gemaakt in een regionaal dagblad. De notaĺs zijn onbetaald gebleven, waarna gedaagde de bestuurders van [naam co÷peratie], waaronder appellant, aansprakelijk heeft gesteld.

De Raad overweegt het volgende.

In de bevindingen uit bovenbedoeld opsporingsonderzoek ziet de Raad met de rechtbank voldoende aanknopingspunten om de door [naam co÷peratie] gepresenteerde constructie niet te volgen. De Raad wijst daarbij met name op de, in het kader van het opsporingsonderzoek opgemaakte proces-verbaal, aangehaalde getuigenverklaringen, verslagen van telefoongesprekken tussen de tuinders en [naam co÷peratie] en bij [naam co÷peratie] aangetroffen administratieve bescheiden zoals door de tuinders ingezonden overzichten van door de Poolse werknemers gewerkte uren. Dit beeld spoort volledig met het vonnis van 31 maart 2000 van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Alkmaar, waarin - onder meer - bewezen verklaard is dat [naam co÷peratie] in de periode van 1 maart 1994 tot en met 30 juni 1998 als werkgever opzettelijk en in het geheel niet de verplichting is nagekomen tot het voeren van een loonadministratie en tot het doen van opgave van al het door de bij haar in dienst zijnde en in Nederland tewerkgestelde Poolse werknemers genoten loon. Gedaagde heeft naar het oordeel van de Raad terecht geen zelfstandige betekenis toegekend aan de Poolse vennootschappen, anders dan dat die vennootschappen bestaan.

Uit de gedingstukken blijkt dat [naam co÷peratie] zich feitelijk als een uitzendbureau voor Poolse werknemers heeft gedragen, zodat de Raad evenmin aan twijfel onderhevig acht dat de Poolse werknemers in fictieve dienstbetrekking tot [naam co÷peratie] stonden en met instandhouding van die dienstbetrekking door [naam co÷peratie] aan tuinders werden uitgeleend. Voorts stelt de Raad vast dat uit de gedingstukken genoegzaam blijkt dat [naam co÷peratie] ter zake van de loonbetalingen aan de Poolse werknemers premies verschuldigd was. Nu de door [naam co÷peratie] verschuldigde premies niet zijn betaald en [naam co÷peratie] daardoor van rechtswege in gebreke was, en voorts enige betaling van de kant van [naam co÷peratie] evenmin te verwachten viel, reeds vanwege de financiŰle positie van de boedel ten tijde van het ophouden te bestaan, kon gedaagde naar het oordeel van de Raad tot aansprakelijkstelling van de bestuurders overgaan.

Uit het handelsregister blijkt dat appellant in de periode van 11 augustus 1994 tot 1 maart 1996 penningmeester van [naam co÷peratie] was. Appellant stelt op 8 september 1995 uit die functie te zijn ontheven en in de veronderstelling te hebben verkeerd dat [naam co÷peratie] er voor zorg zou dragen dat hij per 1 september 1995 zou worden uitgeschreven als penningmeester. Appellant erkent niet te hebben geverifieerd of hij daadwerkelijk als bestuurder werd uitgeschreven. Naar het oordeel van de Raad komt deze nalatigheid voor rekening van appellant. De Raad verwijst voorts naar zijn vaste jurisprudentie, onder meer verwoord in RSV 2003/304, waarin is neergelegd dat in beginsel van het Handelsregister kan worden uitgegaan en een bestuurder zich niet van zijn verantwoordelijkheid als bestuurder kan onttrekken door zich afzijdig te houden. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant niet mogen volstaan met het zich afzijdig houden na het kennelijke met de overige bestuurders ontstane conflict. Appellant werd derhalve naar het oordeel van de Raad terecht als bestuurder aangemerkt.

De Raad onderschrijft voorts het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank dat gelet op bovenvermeld strafvonnis vast staat dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat het aan dit kennelijk onbehoorlijk bestuur te wijten is dat de verschuldigde premies niet zijn betaald.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat appellant terecht en op goede gronden aansprakelijk is gesteld. De Raad ziet in appellants beroep op de artikelen 6:10, 101 en 102 van het Burgerlijk Wetboek geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, aangezien deze bepalingen niet zien op de aansprakelijkstelling ingevolge artikel 16d van de CSV, doch op de onderlinge verhouding tussen hoofdelijke schuldenaren.

De Raad onderschrijft tot slot het oordeel van de rechtbank dat appellant niet geacht kan worden in zijn belangen te zijn geschaad doordat gedaagde appellant abusievelijk in het kader van de bezwaarschriftprocedure niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunten nader toe te lichten, nu gedaagde appellant alsnog heeft gehoord en in aanvulling op het bestreden besluit aan appellant heeft medegedeeld geen aanleiding te zien om van het bestreden besluit terug te komen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel in tegenwoordigheid van mr. A. Kovßcs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 september 2004.

(get) G. van der Wiel.

(get.) A. Kovßcs.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x